De Waterdraagster (deel 1)

De mannen kwamen terug van de strijd. Het was een lange verhitte strijd geweest onder een gloeiend hete zomerzon. Het was vlak na zonnewende, de tijd dat de dagen langzaamaan weer korter werden maar de kracht van de zonnestralen zou de komende maand alleen maar toenemen. Ze waren teruggekeerd als overwinnaars en dronken van de victorie. Een roes die snel ingewisseld zou worden voor die van de mede en het bier. Het was in het dorp gewoonte dat de vrijgezelle dames de krijgers verzorgde. Daarom liep ze naast een goede vriendin, een weduwe wiens nauwelijks volwassen zoon had meegestreden in de strijd. Die van haar was gelukkig nog te klein en zou zoals het er nu naar uit zag nooit meestrijden. Hij was geen krijger. Hij was een ambachtsman en, belangrijker, een sjamaan. Strijders waren er altijd genoeg. Om huis, haard en gezin te verdedigen. Zou elke ambachtsman zich voegen bij hen die het dorp verdedigden.

De taak viel haar zwaar. Ze hield zichzelf voor dat ze verzorgde in plaats van dat ze diende. Het dienen liet ze over aan de jonge maagden die met hun onderdanigheid een man zochten. Een steek van jaloezie raakte haar hart toen ze naar de groep jonge meisjes keek. Vol van onschuld maar ook van verlangen. Hun jonge lichamen pront en fier onder hun tuniek, hun lange haren los over hun schouders. Haar lichaam droeg de sporen van het dragen van een kind en de tand des tijds. Haar lange, opgeknoopte haar heeft strepen van zilver. Het is dat de mannen verlangen naar water en verzorging en haar daarom zullen roepen. Maar verlangen naar haar zullen ze niet meer, denkt ze schamper.

Onwennig staat ze te wachten tot ze wordt gewenkt. De jonge meisjes bedienen de jonge vrijgezelle mannen. Over een tijdje zullen hier vele huwelijken uit voort vloeien. De roes van de overwinning is een machtig afrodisiacum voor beiden partijen. Dat, en de overvloedig vloeiende mede en bier, zullen haar over negen maanden veel werk bezorgen. Ze lacht schamper. Zo is het en zo is het altijd geweest. Uit de dood ontspringt het leven. Zo werkt de kringloop van de natuur nou eenmaal.

Ze wordt gewenkt door een van de oudere mannen. Een knappe man die fysieke kracht en wilskracht uitstraalt. Op het veld wordt hij gevreesd. Hij kijkt haar doordringend aan. Ze voelt zich opeens naakt, alsof hij recht door haar tuniek heen kijkt. Ze buigt ten teken dat ze eraan komt. Ze pakt haar emmer en kom en bied hem te drinken aan. Daarna giet ze de rest van het water over zijn hoofd en lichaam. Zijn harnas heeft hij nog aan. Dat uitdoen is het werk van de echtgenotes of van de jongen die hij opleidt tot strijder, zijn leerling. Stiekem is ze opgelucht dat ze hem niet hoeft aan te raken. Door de kracht die hij uitstraalt ontwaakt haar onderbuik. Ze merkt dat ze bloost. Blijkbaar is ook zij niet ongevoelig voor de macht van die avond. Verlegen knikt ze ten afscheid, haalt vers water en verzorgt de volgende man.