Sluiten
Menu

De Waterdraagster (deel 1)

De Waterdraagster (deel 1)

De mannen kwamen terug van de strijd. Het was een lange verhitte strijd geweest onder een gloeiend hete zomerzon. Het was vlak na zonnewende, de tijd dat de dagen langzaamaan weer korter werden maar de kracht van de zonnestralen zou de komende maand alleen maar toenemen. Ze waren teruggekeerd als overwinnaars en dronken van de victorie. Een roes die snel ingewisseld zou worden voor die van de mede en het bier. Het was in het dorp gewoonte dat de vrijgezelle dames de krijgers verzorgde. Daarom liep ze naast een goede vriendin, een weduwe wiens nauwelijks volwassen zoon had meegestreden in de strijd. Die van haar was gelukkig nog te klein en zou zoals het er nu naar uit zag nooit meestrijden. Hij was geen krijger. Hij was een ambachtsman en, belangrijker, een sjamaan. Strijders waren er altijd genoeg. Om huis, haard en gezin te verdedigen. Zou elke ambachtsman zich voegen bij hen die het dorp verdedigden.

De taak viel haar zwaar. Ze hield zichzelf voor dat ze verzorgde in plaats van dat ze diende. Het dienen liet ze over aan de jonge maagden die met hun onderdanigheid een man zochten. Een steek van jaloezie raakte haar hart toen ze naar de groep jonge meisjes keek. Vol van onschuld maar ook van verlangen. Hun jonge lichamen pront en fier onder hun tuniek, hun lange haren los over hun schouders. Haar lichaam droeg de sporen van het dragen van een kind en de tand des tijds. Haar lange, opgeknoopte haar heeft strepen van zilver. Het is dat de mannen verlangen naar water en verzorging en haar daarom zullen roepen. Maar verlangen naar haar zullen ze niet meer, denkt ze schamper.

Onwennig staat ze te wachten tot ze wordt gewenkt. De jonge meisjes bedienen de jonge vrijgezelle mannen. Over een tijdje zullen hier vele huwelijken uit voort vloeien. De roes van de overwinning is een machtig afrodisiacum voor beiden partijen. Dat, en de overvloedig vloeiende mede en bier, zullen haar over negen maanden veel werk bezorgen. Ze lacht schamper. Zo is het en zo is het altijd geweest. Uit de dood ontspringt het leven. Zo werkt de kringloop van de natuur nou eenmaal.

Ze wordt gewenkt door een van de oudere mannen. Een knappe man die fysieke kracht en wilskracht uitstraalt. Op het veld wordt hij gevreesd. Hij kijkt haar doordringend aan. Ze voelt zich opeens naakt, alsof hij recht door haar tuniek heen kijkt. Ze buigt ten teken dat ze eraan komt. Ze pakt haar emmer en kom en bied hem te drinken aan. Daarna giet ze de rest van het water over zijn hoofd en lichaam. Zijn harnas heeft hij nog aan. Dat uitdoen is het werk van de echtgenotes of van de jongen die hij opleidt tot strijder, zijn leerling. Stiekem is ze opgelucht dat ze hem niet hoeft aan te raken. Door de kracht die hij uitstraalt ontwaakt haar onderbuik. Ze merkt dat ze bloost. Blijkbaar is ook zij niet ongevoelig voor de macht van die avond. Verlegen knikt ze ten afscheid, haalt vers water en verzorgt de volgende man.

De waterdraagster (deel 2)

De waterdraagster (deel 2)

Die avond is het groot feest op het plein. Zij doet er niet aan mee. Ze is liever bij haar zoon. Als ze hem kinderlijk en onschuldig ziet slapen versterkt dit haar besluit dat haar kind nooit zal vechten. Gelukkig heeft hij de gave. Ze zal hem laten leren zich te verdedigen maar een krijger zal hij nooit of te nimmer worden. Ze kijkt naar de sterren. Ze ziet haar zoon als een groot en belangrijk man. Een leider, dat zeker. Maar niet in aardse zaken. Hij zal een genezer worden, net als zij. Hij zal zijn visie op de te volgen tactiek voor de strijd delen. En de mannen zullen naar hem luisteren in de wetenschap dat hij weliswaar geen krijger is maar wel een uitstekende strateeg. Geholpen door een helder zicht. Naar haar zoon zullen ze luisteren, zoals ze dat naar haar niet doen. Hoewel haar vaardigheden door iedereen worden gerespecteerd is ze uiteindelijk toch maar een vrouw. Dit deert haar niet. Haar taak is het eren, brengen en verzorgen van het leven. En soms, als de pijn te groot is en het leven niet meer te redden, is ze een walkure.

Dan verbreekt ze haar mijmeringen en gaat ze de tafel dekken voor de volgend ochtend. Het is laat en het is bijna tijd om te gaan slapen. Ze komt tot de ontdekking dat ze haar houten kom vergeten is. Haar kind slaapt rustig, de vuren doven, de herrie op het plein bedaard. Ze besluit dat ze haar kom wel even kan halen. Hij ligt aan de rand van het plein. Met haar lantaarn in de hand loopt ze op een drafje naar de plek waar de kom voor het laatst heeft gebruikt. Gelukkig ligt hij er nog. Anders hadden ze morgenochtend pap uit dezelfde kom moeten eten. Halverwege de weg naar huis hoort ze een geluid in de nacht. Ze is in gedachten en schrikt op. Zijn tanden blikkeren in het maanlicht. Hoewel hij niet dronken klinkt als hij goedenacht zegt, voelt ze van een afstand wel het effect wat de alcohol op hem heeft gehad. Met zijn remmingen weg voelt zijn geest aan als een onrustig, hongerig roofdier. Tot haar opluchting is het de man die haar die dag als eerste wenkte voor water en verzorging. Naast een groot krijger ook bekend en gerespecteerd als een man van eer. Ze is veilig. Met een dapperheid in haar stem die ze niet voelt groet ze terug en probeert rustig voorbij te lopen. Maar hij pakt haar hand en trekt haar naar zich toe. Een onbekende zwakheid, die niets met angst te maken heeft overmeestert haar. Kus mij vrouw, fluistert hij zacht maar dwingend in haar oor. Automatisch buigt ze zich naar hem toe om aan zijn eis te voldoen maar deinst terug bij de walm van alcohol die uit zijn mond komt. Plots komt zij weer bij zinnen als de mogelijke consequenties van de situatie tot haar doordringen. Alarmbellen gaan af in haar hoofd. Zij zal zich niet verwaardigen zijn bedgenoot te zijn voor één nacht. Al heeft ze niet het gevoel dat, als ze zich gewonnen zou geven, ze een bed zouden halen. Dat gedrag is leuk voor de jonge maagden die zoeken naar een man. In feite leverden de meisjes, onafhankelijk van de mannen, hun eigen strijd. De strijd die zij onderling voerden ging om een huis, haard en een gezin. Die van de voortgang van het bestaan.

Met alle kracht die ze heeft duwt ze hem van haar af. Niet met de stank van mede op je adem, bijt ze hem toe. Hij lacht. Een mooie warme diepe lach, niet die van een dronkaard. Gesterkt gaat ze verder. Je bent welkom bij het vuur maar als je bij me in de buurt wil zijn is dat zonder drank in je bloed. Ze kijkt hem doordringend aan en vervolgt haar zin: en zonder de geur van een andere vrouw op je huid. Hij knikt, verlegen haast. Maar in de lach die hij schenkt als hij bij haar wegloopt, meent ze ook vastberadenheid te zien.

Een stukje bij haar vandaan draait hij zich opeens op. Haar hart klopt in haar keel. Zou hij zich bedacht hebben? Zal hij met grof geweld proberen te grijpen. Wat ze hem op den duur, onder haar voorwaarde en met behoud van haar eer, met liefde zal schenken? Niets van dat alles. Beleeft vraagt hij of hij haar naar huis mag brengen. Een mooie vrouw als zij is niet veilig alleen in het donker. Stiekem houdt ze haar lantaarn wat lager. Ze bloost.

De Waterdraagster (deel 3)

De Waterdraagster (deel 3)

De volgende dag begint, zoals te verwachten, langzaam. Niemand maakt zich druk om het feit, dat er jonge vrouwen uit huizen te voorschijn komen, waar ze niet horen. De wetenschap, dat de meeste van hen over een tijdje, meesteres van het huis zullen zijn. Maakt een hoop goed. Zelfs bij de bezorgde vaders die hun dochter los moeten laten. Na vannacht zal menig meisje niet meer papa’s kleine meisje zijn. Maar het hoort erbij. Het leven, de dood en de overwinning dienen gevierd te worden. Zo is het, zo is het altijd geweest en zo is het goed.

Voor haar is het een dag zoals alle anderen. Hooguit wat drukker dan normaal. Ze verzorgt de wonden van gewonde strijders. Plukt, samen met haar zoon, kruiden in haar tuin en hangt deze te drogen. Ze gaat langs bij een zwanger vrouw in het dorp. Maakt een kruidenmengsel voor een vrouw die graag zwanger wil raken. Geeft raad aan een vrouw met echtelijke problemen. En past op de jonge kinderen, van moeders die op het veld of in huis aan het werk zijn. Ze kijkt naar de spelende kinderen in en om het huis. Haar hart gloeit van liefde. Een paar van de jongste heeft ze met haar eigen handen ter wereld gebracht. Ze hoort geen lievelingetjes te hebben. En toch zijn een paar kinderen die voor haar specialer zijn dan de andere. Zoals het kleine krummeltje dat nu op haar bed zit. Enid doet haar, met haar rode haar en ondeugende streken, altijd aan een jonge vos denken. Even onderbreekt ze haar werkzaamheden om met de kleine meid te spelen. Een paar maanden geleden was ze ten prooi gevallen aan hoge koortsen. Zij had haar met kruiden en verzorging terug gehaald van de drempel van de dood. Ze zag het niet als haar verdienste. Als het echt de tijd was geweest van het kindje. Had de dood haar tot zich genomen. Maar sinds die tijd, voelt ze een band met haar. Die ze met de meeste andere kinderen niet voelt.
In munt betaald wordt ze maar zelden voor haar diensten. Diensten worden hier betaald met wederdiensten. Goederen worden geruild voor goederen. Munten wisselen hier maar zelden van hand. De gemeenschap voorziet zelf in alles wat ze nodig heeft. Iedereen heeft zijn eigen functie. Kinderen zijn een bron van vreugde voor iedereen, nou ja de meesten. Zij die te oud zijn om nog te werken passen op de kinderen en staan hoog in aanzien om hun wijsheid. De dorpsraad wordt gevormd door de dorpsoudsten. Allemaal mannen dat wel.
Maar achter elke wijze man, staat een even wijze vrouw. Wiens stem niet door de hele raad gehoord wordt, maar wel door de man die haar lief heeft en respecteert. Veel besluiten worden genomen in het echtelijk bed. En oplossingen bedacht door de vrouwen tijdens het gezamenlijk doen van de was. Iedereen weet dat dit zo werkt en iedereen heeft daar vrede mee. Soms, in bepaalde delicate aangelegenheden, raadpleegt men haar.
De meeste strijders zijn ook ambachtsman. Want gelukkig hoeft er niet elke dag gevochten worden. De hoofdmannen trainen de volwassen mannen en leiden de jongetjes op. De bakker, wiens oudste zoon door hen getraind wordt, geeft hen broden. Haar vriendin, de weduwe, naait en verstelt samen met een andere vrouw hun tunieken en andere kleding. De regeling is simpel, eenvoudig eerlijk en doeltreffend. Het dorp zorgt voor hen en zij zorgen voor het dorp. Dat zij de man van gisteren nog niet kende, is niet zo vreemd. Ze woont er pas een paar jaar en tot vandaag hadden de krijgers nog geen gebruik van haar diensten hoeven maken. Daarnaast wonen ze aan de rand van de andere kant van het dorp. Ze zijn ze een gesloten groep binnen de gemeenschap. Een kleine wereld, een wereld van mannen. Terwijl haar wereld voor het grootste deel uit vrouwen bestaat. En haar huisje staat ook aan de rand van het dorp, maar aan de andere kant. Het staat dichtbij het bos. Hetzelfde bos waar ze een aantal jaren geleden met haar zoon uit te voorschijn kwam.
Tijd om weer aan het werk te gaan. Voor morgen moet ze nog een lap wol geel verven. Ze pakt de vers geplukte wouw en begint deze in kleine stukjes te snijden. Maar hoewel ze het druk heeft, lijkt er aan de dag, geen einde te komen.

De Waterdraagster (deel 4)

De Waterdraagster (deel 4)

Haar hart springt op, als er s’ avonds na zonsondergang op de deur wordt geklopt. Als ze de deur wil openen merkt ze dat haar handen trillen. “Stel je niet aan”, spreekt ze zichzelf vermanend toe. Voordat ze hem binnen laat vraagt ze hem eerst:” Voldoe je aan de eisen die ik je gesteld heb?”. Verlegen als een jongen antwoord hij: “Ja.” Ze neemt hem nauwkeurig op, hij heeft niet gelogen.

Ze bied hem een kruk, met een schapenvacht, bij het vuur aan. Terwijl ze beiden niet volledig op hun gemak hun kruidenthee drinken. Beseft ze dat deze man anders is dan de mannen waarmee ze vroeger persoonlijk contact had. Dat waren altijd dichters, zieners en helers. Mannen die in dezelfde wereld als zij leefden. Ze kijkt naar zijn doorleefde handen die de aardewerken mok vast houden. Zijn handen hebben gestreden, zijn handen hebben gedood. Daar waar haar handen alleen een eind aan het lijden bezorgen. Zorgen de zijne voor lijden. Een rilling trekt langs haar ruggengraat terwijl ze daar aan denkt. Bruusk pakt ze haar mok van tafel. Terwijl ze zichzelf eraan herinnert dat hij de gemeenschap waarin ze leeft verdedigt.

Toch is de aantrekkingskracht zo groot. Dat ze haar eigen kruk expres aan de andere kant van het vuur heeft neer gezet. De vastberaden rust die zijn grijze ogen uitstralen raken haar diep. Het is die rust die hem zo aantrekkelijk maakt. Ze is een sterke vrouw en is gewend dat mannen vaak geïntimideerd raken door haar manier van doen. Terwijl de meeste vrouwen lief, gedienstig, gewillig en onderdanig zijn. Is zijn kordaat, eigenzinnig en rechtdoorzee. Ze is lief en zorgzaam voor kinderen, dieren en gewonden van lichaam of geest. Alleen zij die haar nodig hebben kennen haar zachte kant. De rest van de wereld geeft ze een vriendelijk glimlach, maar ze sluit ze wel buiten. Het gevolg van geestelijke littekens opgelopen door een gevoelig en naïef kind. Hij lijkt niet geïntimideerd, maar oprecht geïnteresseerd. Het meeste praten ze over koetjes en kalfjes. Een paar persoonlijkere vragen ontwijkt ze of beantwoord ze zo oppervlakkig mogelijk. Hij op zijn buurt vertelt haar dat hij weduwnaar is. Zijn vrouw is een aantal jaar geleden in het kraambed overleden. Ook het kind, een jongetje, heeft het niet gehaald. Ze ziet de tranen wel in zijn ogen, als hij even naar het bed staart. Waar haar zoon de slaap der onschuldigen slaapt.

Zelf slaapt ze meestal slecht. En deze avond zal het niet anders zijn. Ze weet nu al dat ze weer wakker zal liggen. Haar hoofd zoemend van de analyse die ze van de avond zal maken. Dat is wat ze is, de eeuwige analyserende buitenstaander. Een overlevingsinstinct, dat onderdeel is gaan uitmaken van haar persoonlijkheid. Geconfronteerd met iets wat haar leven en haar wereld kan verstoren. Schakelt ze automatisch over op de reactie, vechten of vluchten. En als ze geconfronteerd wordt met de liefde. Kiest ze vaak voor strijd. Niet handig want het stoot mannen af. Ook degene die ze wel interessant vind. Toch is er een sluiproute, haar hart en haar leven in. Maar de meeste mannen zijn te verblind door lust of bezittersdrang om deze te zien. Of ze hebben simpelweg het geduld niet.

Met moeite weet ze het piekeren te stoppen, de analyse zal moeten wachten tot vannacht. Uiteindelijk heeft ze een hele fijne, gezellige en rustige avond. En vind ze het oprecht spijtig als hij weer naar huis toe gaat.

Maar het is al laat. Voor het eerst sinds ze hier kwam heeft ze een man op bezoek gehad. En morgen zal iedereen het weten en iedereen zal een mening hebben. Want ondanks het duister weet ze dat het dorp bijna over hun schouders meekijkt.

Exen, heksen en ander gespuis

Exen, heksen en ander gespuis.

Exen komen in allerlei soorten en maten. Bij sommigen kijk je gegeneerd de andere kant op. Terwijl je met anderen met gemak een bakkie koffie gaat drinken als je ze tegenkomt. En dan nog alle smaken daartussenin. Ongemakkelijk wordt het pas als beiden partijen het niet eens zijn over de te kiezen aanpak.

Ik ben heel vaak verliefd geweest maar had vaak de wijsheid of de pech om niet verder te komen dan dat stadium. Dit houdt echter ook in, dat ik de meeste van mijn exen met het allergrootste genoegen nog begroet als ik ze tegenkom. Met een enkeling wil ik zelfs best nog wat gaan drinken of een beschuitje eten. Dat laatste stuit echter op veel bezwaar bij wederzijdse partners. Dus die optie heb ik maar, braaf als ik ben, geschrapt. Er is er maar eentje die ik structureel negeer maar hij is dan ook dé grote vergissing . Daarvan moet je er tenslotte minstens eentje hebben. Het zal vast een prima vent zijn maar niet voor mij. En omgekeerd geloof ik niet dat hij mij uiteindelijk nou zo'n goede keuze vondt. Hij negeert mij, ik negeer hem en we doen net alsof er nooit wat gebeurd is. Iedereen blij!

Pijnlijk wordt het pas. Als de ex, aan wie je minstens net zo veel goede als slechte herinneringen hebt en met wie je toch best een aardige tijd lief en leed gedeeld hebt. Het nodig vindt als hij je tegenkomt je de rug toe te keren, maar alleen als hij in gezelschap is van zijn vrouw. Alles wordt aangewend om mij maar niet te hoeven zien. Om mijn ego te redden zou ik mezelf graag voorhouden dat  uit het jaloezie of onzekerheid is. Maar ik ben niet het type vrouw dat mannen slapeloze nachten bezorgd, nooit geweest ook overigens. Op misschien het exemplaar na dat zo onverstandig was om met mij te trouwen. Deed hij overigens geheel vrijwillig dus medelijden met hem heb ik niet. Nee, deze ex traded -up. Geen van de mannen op wie ik ooit verliefd geweest ben heeft het uiteindelijk slecht getroffen. Iets wat ik zie als bewijs van mijn persoonlijke goede smaak. Maar deze man zijn dromen kwamen uit! Ze is mooier, jonger en gezonder. Ze heeft een goede baan, samen hebben ze een paar leuke kinderen en een prachtig koophuis. En waar ik slechts de verwaterde versie van zijn type was, is zij het voor de volle honderd procent. Geen reden tot klagen dus, noch tot jaloezie of onzekerheid.

Ik wens iedereen een gezond en gelukkig leven. Dit is dus inclusief:

De mannen die mijn hart hebben gebroken. Sommige daarvan zelfs meermaals, maar dat was mijn eigen fout, een ezel stoot zich over het algemeen niet twee keer aan dezelfde steen. Ik daarentegen kan, als het om één bepaalde man gaat, zo ondertussen wel in het Guinness book of records. 

De mannen die zo dom waren mijn bekoringen niet op juiste waarde te schatten of juist wel, ligt er maar aan van wiens kant je het wenst te bekijken. 

De mannen die zo dom waren om op het verkeerde moment bezet te zijn. 

De mannen die te blind waren om door te hebben dat ik interesse in ze had. Heel moeilijk over het hoofd te zien, geloof me.  Maar blijkbaar is het een enkeling toch gelukt. 

Zelfs de ex die ik negeer wens ik alle geluk van de wereld! 

Voordat ik nu een al te rooskleurig beeld van mezelf schets, moet ik wel bekennen dat in mijn wens enige egoïsme schuilt. Ik vind namelijk niets erger dan een ex die na het beëindigen van de relatie niet gewoon verder gaat met zijn leven. Heeft misschien te maken met een vaag gevoel van schuld en verantwoordelijkheid. Vooral als ik degene was die de relatie beëindigde.

Als ik naar de twee ruggen kijk, bedenk ik dat zij alles is wat ik niet ben of ooit zal zijn.
Ik glimlach, als ik besef dat al mijn exen de relatie gekregen hebben die ze verdienen.

Ook hij.

Maankind/Hellbunny 
September 2014

Een beetje meer

Een beetje meer.

Zo laat op de avond tussen al die zwetende lichamen en de geur van verschaald bier. Mis ik bijna de sigarettenrook die dat vroeger allemaal verhulde. Het rookverbod is niet op alle gebieden een verbetering.
 
Ik val vreselijk uit de toon in mijn rode jurk, hoog gehakte zwarte pumps en mijn zwarte eyeliner en fel rode lippen. Ik hoop hartgrondig dat mijn petticoat niet weer mijn kousen met naad slopen. Ze zijn namelijk nogal duur. Maar niets doet zoveel wonderen voor mijn zelfvertrouwen als rode lippenstift en zwarte kousen met naad. De jonkies die deze kroeg bevolken kijken laatdunkend op mij neer. Wat ze niet beseffen is dat, ondanks mijn afwijkende uiterlijk, dit voor mij een thuiswedstrijd is. Een aantal mannen van mijn leeftijd kijken me goedkeurend aan. Tot mijn tevredenheid sommige van de jongere exemplaren ook. Hier en daar duiken wat mannen weg. Ik ben blij om te zien dat het "meubilair" me zich nog herinnert. "Braaf mannen, braaf", zeg ik bijna hardop. En zend ze mijn allerliefste glimlach.
 
Zijn er nog verzoekjes?, galmt het door de microfoon. Het is Hollandse avond een genre, wat ik ondanks mijn brede muzieksmaak, itens haat. Maar verveling doet rare dingen met een mens. Zoals in dit geval mij mijn veilige Hollandse-hits-vrije-huisje uitlokken. Ik besluit om een briefje te gaan halen er krabbel er een goud fout nummer op. Zo fout jij had het kunnen schrijven.
 
Opeens ben ik onzeker, iets wat me gelukkig niet al te vaak overkomt. Zou je de grap snappen en beseffen bij wie die vandaan komt? Zou je het handschrift van het meisje wat ooit naast je zat op de basisschool nog herkennen? We waren een goed team jij en ik. Ik bedacht de rottigheid en jij haalde ze uit. Zonder me ooit te verraden als je betrapt werd. Want er zwaaide wat voor me thuis als ze er achter kwamen. We hadden een hekel aan dezelfde meesters. We hadden allebei moeite met onze aandacht bij de lesstof houden. Ik keek liever naar buiten naar de eekhoorntjes, jij ging liever voetballen. De twee buitenbeentjes in de klas.
 
Jaren later, we zaten allang niet meer bij elkaar op school. Zat jij met die omhoog gevallen trut op een terras. Ik sprong iets te enthousiast bij je op schoot en we gingen met stoel en al om. Zij liep kwaad weg. Ik veinsde onschuld en pikte een slokje van je bier.
 
Ik zie je lippen krullen als mijn briefje je bereikt en haast onzichtbaar speuren je ogen de menigte af. Je ontembare haren, die me altijd aan de manen van een leeuw doen denken, lichten op in de spotlights. Voor mijn beetje meer vriendin, zeg je lachend, terwijl je me strak aankijkt. En ik geloof dat ik zowaar een beetje bloos. Als jij met je iets wat schorre stem het nummer inzet. Schuift een wederzijdse vriend van ons bij me aan tafel. Zonder mijn ogen ook maar een seconde van je af te halen. Zing ik zachtjes het nummer mee. Na de situatie eens even goed bekeken te hebben. Vraagt hij of we ooit wat gehad hebben. Op een oprecht spijtige toon antwoord ik nee.
 
Hij gelooft me niet. Ik lach, want dat doet men namelijk nooit.
 
Ik werp je een kushandje toe, wat jij met grote gebaren opvangt, en loop heupwiegend weg.
 
Maankind/Hellbunny
Maart 2014

 
Geinspireerd door

Mama Beer

Mama Beer

Mijn grote kind, zo klein, zo gebroken, zo akeligs doodswit. Zijn normaal zo stralende ogen staan dof en zijn blauw gerand. Een dodemans masker in plaats van zijn gezicht.

Hij kruipt in een hoekje, maakt zich zo klein mogelijk en huilt hartverscheurend. Mijn moederhart breekt, iets in mij staat op. Geen zwarte of rode waas, geen wild verscheurende moederleeuwin. Maar iets groots gevuld met rust, zekerheid en kracht.

Ik fluister zacht maar beslist: nu is het klaar. Hij kijkt mij, door zijn tranen heen, liefdevol aan. Herkent haar, slaat zijn armen om mij heen en noemt mij bij haar naam, Mama Beer.

Ik creëer met mijn armen een beschermend hol voor mijn berenjong. En dank haar, waarvan ik nog niet eerder de eer had haar te ontmoeten.

Maankind
November 2013

Muizenissen

Muizenissen
 
Een stil verlangen,
trippelt parmantig als een muis,
door de kamer.
 
Om een moment vlak voor mij stil te staan,
zich badend in mijn onverdeelde aandacht,
en dan weer verder te gaan.
 
Ik zou willen dat het zomer was,
zodat de zon en een zwoele zomerbries,
de muizenissen uit mijn hoofd konden verjagen.
 
"You, you know how to get me so low
My heart had a crash when we spoke
I can't fix what you broke"
 
Maankind
April 2013
 
 

Omdat ik de droom lief heb

Omdat ik de droom lief heb.
 
Soms verlang ik terug
naar iets wat ik nooit gehad heb.
 
 
Een verlangen zo sterk
dat ik het bijna kan aanraken.
 
Om het vervolgens door mijn vingers
te voelen glippen.
 
Voor eeuwig op zoek
naar dat ene moment van perfectie.
 
De bittere teleurstelling van de wetenschap
dat ik de droom zo nodig heb.
 
Voorgoed verloren zonder
 
Maankind
Januari 2013
 

Blauwe Maandag

Blauwe Maandag

De hemel weent
beeldschone bevroren tranen

De saxofoon op de straathoek huilt
het lied van mijn hart

Feestelijke dagen achter de rug
en in het verschiet.

Ik heb het koud
maar ik lach.

Maandkind
December 2012

De Wrede Zuster

De Wrede Zuster

Art by John Faed ~ The Cruel Sister
Geinspireerd door The Cruel Sister - The Pentangle

Ik sta op het Noordzee strand waar we samen opgroeide. Ik herinner je als klein meisje met je blonde haren wapperend in de wind. Hoe zoet je rook en hoe warm je voelde als ik je in mijn armen nam. Ik hield zo veel van je, wij hielden allemaal zoveel van je. We waren zo blij met je ons kleine zusje. Met tranen in mijn ogen vraag ik me af. Hoe het zover heeft kunnen komen. Je ligt met je gezicht op het zand, je blonde haren mengen zich met het schuim van de zee. Je bent nog steeds hartbrekend mooi. En nu de harde blik in je ogen gedoofd is lijk je weer op het engeltje van vroeger. In de sprookjes die moeder vroeger aan ons vertelde waren het altijd de meisjes met de zwarte haren die slecht waren. Net als de cowboy in het zwart in westerns altijd de slechterik is. En in de mythische wereld waarin we leven geloven we in sprookjes. We leven tenslotte in een sprookje.
Je was zo duidelijk anders. Zo duidelijk niet helemaal eentje van ons. Ondanks dat of juist wel daardoor aanbaden we je. Je was een lichtpuntje in een duistere wereld. Ons stiekeme geloof in het goede werd verpersoonlijkt in jou. De rode vlek op je achterhoofd groeit en kleurt het schuim wat je hoofd omringt rood. Net zo rood als de kleur van je lippen.

Onaangedaan kijk ik naar het lichaam van de vrouw dat op het strand ligt. De jurk, nat van het zilte water, die aan haar ranke lichaam vastplakt, omhult haar lichaam in een aura van kwetsbaarheid. Aan de rand van mijn gezichtsveld zie ik hoe het zeewater met haar blonde lokken speelt. Ik houd mijn hoofd enigszins scheef, zodat ik haar gezicht, deels bedekt door het zand, beter kan zien. Zelfs in de dood, straalt het die engelachtigheid uit, die bij leven velen troost en hoop, maar ook wanhoop en verdriet bood. Haar wenkbrauwen staan in een halve cirkel omhoog, alsof ze om een verklaring eisen over de reden voor haar huidige toestand. Mijn blik wordt als vanzelf naar haar achterhoofd getrokken. Gefascineerd staar ik naar het gapende gat, waaruit nog wat bloed vloeit. Zo te zien is ze nog niet lang geleden over gegaan. Gefascineerd staar ik naar haar dode gefixeerde ogen, die ver vooruit staren. Men zegt dat, dat wat een mens als laatste ziet, voor eeuwig op hun netvlies blijft staat. Ik weet nu dat dát, zoals vele andere dingen, grote onzin is. Ik volg de starende blik van de dode ogen. Aan het einde daarvan, vind ik háár. Tot mijn grote voldoening, zie ik dat haar gezicht getekend wordt door rimpels, die er de laatste keer dat ik haar zag nog niet waren. Zodra ik de grote krokodillentranen zie die over haar wangen rollen, voel ik hoe een duistere woede zich diep in mij roert. Waar haalt zíj het recht vandaan om verdriet te hebben, aangezien zij de reden is, dat ik naar mijn eigen dode lichaam sta te kijken?

Hebben wij de kilte in haar ogen niet willen zien of is ze zo veranderd ? Hebben wij onze ogen gesloten voor tekenen die ons hadden kunnen waarschuwen. Terwijl ik naar haar kijk voel ik dat mijn hart breekt. Ik zou mijn leven gegeven hebben om haar te beschermen, nu ben ik de reden dat ze dood is. Mijn gedachte gaan naar hem die ik liever heb dan mijn eigen leven, liever dan mijn kleine zusje. Hoewel hij mij het hof maakte en overlaadde met cadeaus. Gaf hij haar het enige geschenk wat van waarde was, zijn hart. Het deed pijn om hen samen te zien. Maar boven alles gunde ik haar en hem geluk omdat ik hen beiden lief had. Zij wist van mijn gevoelens voor hem. Zij besloot met zijn en met mijn gevoelens te spelen. Waarom?, vraag ik me af. Ze had alles, ze kreeg alles. Ze was zo onvoorstelbaar wreed. Ik neem haar in mijn armen en til haar lichte lichaam op en draag het verder de zee in. Om onze ouders verder leed te besparen zal ik zeggen dat ze tijdens onze wandeling van een klif gevallen en verdronken is. Verloren kijk ik haar na terwijl ze door de golven wordt meegenomen. Terwijl ze van me wegdrijft doet ze me denken aan een zwaan. Zelfs na haar dood blijft haar schoonheid ongeëvenaard.

Vol afgrijzen zie ik hoe ze mijn lichaam omdraait en met een gemaakt liefdevol gebaar mijn natte haar uit mijn gezicht strijkt. Vervolgens tilt ze mijn slappe lichaam en draagt het verder de zee in. Waarschijnlijk uit angst dat het nieuws van haar verraad ons dorp zal bereiken. Een verraad waarvan de eerste tekenen zich al in onze kinderjaren aandienden. Oh, in het bijzijn van anderen zorgde ze ervoor dat het leek alsof er niets aan de hand was. Ze dweepte met mij en noemde mij haar lichtpunt in een duistere wereld en verkondigde dat de Goden in mij al het goede hadden verenigd. Goedgelovig als de meeste dorpelingen waren, duurde het niet lang eer zij mij overlaadden met geschenken, die zij zich eigenlijk niet konden veroorloven, aangezien ons dorp afhankelijk was van de visserij. Wanneer zij en ik samen waren liet zij het masker vallen en toonde haar ware gezicht, dat zo verwrongen was van haat en afgunst dat zelfs de Goden onrustig zouden zijn geworden. Met het veranderen van de seizoenen, veranderde, zij het langzamer, ook de sfeer in het dorp. De vissers kwamen thuis met lege netten en de oogsten van de vrouwen mislukten door ongekende hagelbuien. Men begon zich vijandig tegenover mij te gedragen, een situatie waarover mijn zuster zich leek te verheugen. Net toen ik dacht dat mijn leven niet ondragelijker kon worden, reed hij ons dorp binnen…

In zijn verdriet om haar wendde hij zich tot mij. Ik gaf hem troost en vriendschap en het groeide uit tot wederzijdse liefde. Ons huwelijk werd voltrokken op warme perfecte dag in augustus. Na de voltrekking kwamen er twee stoffige en vermoeide speelmannen voorbij. We boden hen verfrissing en ze deelden ons huwelijksbanket. En aan het einde daarvan, werd uit dank, hun prachtige benen harp met helblonde snaren op tafel gezet. Het speelde uit zichzelf, als door magie een lied. Een liedje van liefde, een liedje van verdriet. Een lied over hoe de oudste zuster de jongste verried….

Ik word van schrik heel erg bleek en slaak een ijselijke kreet. Gelukkig wordt het aan mijn zwangerschap geweten, dat ik daarna bezweek. Nu negen maanden later houd ik mijn armen mijn eerste liefdeskind. Ik zou gelukkig moeten zijn maar mijn hart is koud en ongerust.

Mijn dochter heeft de ogen en de lach van mijn zuster.

Nicole Aarnoudse & Maankind
Juni 2012

PakMan

PakMan
 
In de stad zie ik een oude klasgenoot lopen. Een knappe, iets wat grijzende man, keurig in pak met attachékoffer Een echte heer, een echte meneer.
 
Opeens wil ik hem dat pak uit alle macht uittrekken. Niet omdat hij een lekker ding is. Nou ja, niet alleen maar omdat hij een lekker ding is… Maar het pak past niet bij de man of beter gezegd jongen die ik ooit kende. Een lange opgeschoten knul met een foute grijns en dito humor. En ik vraag me af of als je het pak weg haalt. Hij er nog onder zit. Of als je de vermomming van de volwassenheid er zorgvuldig afpelt. De jongen met wie ik ooit klierde onder de les. Zijn veel te lange benen onder mijn stoel geparkeerd. Met wie ik ooit zoende, lachte en vrijde. Er stiekem van binnen nog is.
Het grijze pak van de burgerlijkheid met stemmige stropdas, het uniform van de geslaagde zakenman. Komt compleet met huwelijk, hypotheek en dure vakanties en tweede auto.Zou hij zich de nachten samen nog herinneren. Alleen wij tweeën, dromend maar niet slapend, onder de sterren hemel. Wij zouden nooit volwassen worden. Wij zouden van de vrijheid drinken en van elkaar. Zou hij zich die dag in het bos nog herinneren. We renden tussen de bomen en dansten in het gras. Het hart in de boom, als steken van onze onsterfelijke liefde en die zwoele zomerdag. Is er nog.
De man loopt langs mij. Even meen ik een glimp van herkenning in zijn ogen te zien. Maar die dooft voordat ik het zeker kan weten. Ik zou hem willen vragen weer met mij naar het bos te gaan. In plaats daarvan fluister ik alleen maar; “Dag Meneer”.
 
Ik ben tenslotte ondertussen ook al lang geleden mevrouw geworden….
 
Maankind
Juli 2012
 

 

 

Zondagochtend koffie

Zondagochtend koffie
 
De crisissen van de afgelopen week
voor het moment bedwongen.
De muizenissen die de afgelopen nacht
mijn hoofd vulden
Zijn door het ochtendlicht verjaagd.
 
Door de openstaande balkondeur
Stroomt de geur van regen en de bloeiende lathyrus,
de kamer en mijn gemoed binnen.
Ik trek mijn benen onder me
en nestel me op de bank.
 
Lachend luister ik naar de vertrouwde
geluiden in het huis.
Ik heb niet veel
maar wat ik heb
kan ik met vertrouwen
van mij noemen.
 
Twee warme armen om me heen
bij het ontwaken.
Een liefdevol gesponnen cocon
die beschermt tegen de realiteit
van de druilerige dag buiten.
Het opgewekte gekwebbel van mijn zoon
bij het ontbijt.
 
Het is de eerste zondagochtend
van de zomervakantie.
Ik heb de tijd....
 
Maankind
Juli 2012

Labyrinth

Labyrinth

Verdwaald...
Door kou en eenzaamheid omsloten.
Geen licht aan het einde van de tunnel.

Klamme handen die me naar beneden trekken.
Kou die door mijn voeten omhoog trekt.
Flitsen van oogverblindend wit licht
en pijnlijk rood vullen de duisternis.

Het geluid van een drum,
rolt af en aan.
aanvallend als een geweersalvo.
Gezichten uit verleden en heden, duiken plotsklaps op.
Brengen geen troost maar angst en verdriet.
Stemmen veraf en dan dichtbij.
Flarden van gesprekken
De wetenschap dat ik ze zou moeten begrijpen,
zou moeten verstaan, maar...
Gevangen in een vacuüm,
onbereikbaar voor woord en aanraking.

De vochtige klamme lucht is te dik om te ademen.
Een ziel op sterven na dood.
Een geest gevangen in zijn eigen hoofd.
Niet in staat om te relativeren.
Aan het verdrinken in de pijn van het zijn.
Aan het vervagen door de ondraaglijke lichtheid van het bestaan.
Een man gevangen in zijn eigen privé hel.
Ik houd zijn hand vast en word meegezogen.

Als ik niet meer kan ademen van verdriet
en de dood een welkome gast lijkt te worden
laat ik los
en verlies hem
dwalend in het labyrint in zijn hoofd.

Ik sta stil
Ik zie geen uitgang meer.
De kiezels van positiviteit die ik strooide zijn verdwenen
als broodkruimels.

Ik huil
Ik roep
Een gladde snavel streelt mijn gezicht.
Zwarte veren bedekken mijn ogen.
Mijn handen raken een dikke vacht,
die vaag de geur van thuis draagt.
De geur van mijn zuster gemengd met die van mijn vader.
Ik verberg mijn gezicht in de wolf zijn vacht,
en val in slaap met mijn hoofd op zijn rug.


Als ik wakker word is het licht.
Mijn raaf waakt over me.
De wolf vertrekt en dan pas zie ik zijn eigenaar.
Een tedere glimlach trekt over zijn gezicht.


Maankind
februari 2010

Tank

Tank
 
Voor Jeroen...
 
Hij noemt me, Tank… Mijn linkerwenkbrauw en mijn toonhoogte schieten pardoes omhoog als ik het nazeg, Tank?! Als een gewaarschuwd man voor twee telt, telt deze voor vier. Hij kent me soms net iets beter dan strikt genomen wenselijk voor iemand van zijn geslacht. In de loop van de jaren heeft hij me een hoop dingen genoemd. Sommige mooi, sommige lelijk en, naar ik tot mijn grote spijt moet toegeven, vaak waar. Maar deze volg ik eventjes niet… Dat terwijl ik toch vaak genoeg ben afgedaald tot de diepe en duistere krochten van zijn mannenbrein. Niet dat ik me dat allemaal herinner. Regelmatig ging zo’n bezoek vergezeld van een hoeveelheid alcohol die ik definitief niet meer gewend ben.
 
Gewaarschuwd door de toon van mijn stem of de omhooggeschoten wenkbrauw, voor de kenners dat is alarmfase twee. Haast hij zich om zijn opmerking uit te leggen. Nou eehhhh…hakkelt hij…mijn ogen boren zich in de zijne. De mentale boodschap van wees heel voorzichtig met wat je nu gaat zeggen, is kristalhelder. Hij kent als geen ander mijn vlammende woede. Al is hij er nooit het lijdend voorwerp van geweest. Ik heb een kanjer van een zwak voor hem. Het probleem is dat hij dit maar al te goed weet. Hij komt weg met dingen waar anderen nooit mee weg zouden komen. Vooral mannen niet. Natuurlijk ben ik eigenlijk een heel lief en zachtaardig meisje. Het probleem alleen is dat ik een vrij verrot gevoel voor humor heb en een fiks temperament. De schuld hiervoor ligt denk ik bij mijn voorouders. Naar het verluidt een nogal explosieve mix van fransen, zigeuners en moren. Maar over het algemeen genomen ben ik de goedmoedigheid en de zachtaardigheid zelve. Tenminste zolang je me niet tegen mijn haren instrijkt en doet wat ik zeg. Simpel genoeg lijkt me zo.
 
Ik leg mijn hoofd op mijn handen, kijk hem aan en zeg niets. Nou zullen er mensen onder jullie zijn die dat heerlijk lijkt zo’n weldadige stilte. Niets blijkt echter minder waar en niets blijkt enger. Als ik mijn mond hou dan wil er nog wel eens een hele onaangename kille bries opsteken. Hij geeft me dat verrekte halfgemeend verontschuldigend lachje van hem en mijn irritatie ebt weg. Hij lacht, hardop nu, want hij weet dat hij gewonnen heeft. En steekt, een stuk meer ontspannen, van wal. Met een veel betekenende twinkeling in zijn ogen zegt hij: “Nou ja in de liefde kun je je behoorlijk als een tank gedragen. Ik heb soms medelijden met de mannen waarover je heen gelopen bent. Meestal hebben ze het niet eens aan zien komen…” Ik haal mijn schouders op, ja boeiend zeg. Stiekem opgelucht dat het niet over mijn vrouwelijk figuur ging. Ik maakte me al zorgen. Engelachtig merk ik op dat ik voor de drie belangrijkste mannen in mijn leven toch altijd heel lief ben. Ik knipper nog maar eens extra met mijn wimpers om mijn woorden extra kracht bij te zetten. Da’s je geraden ook zegt hij. Naar ik vermoed intens blij en opgelucht dat ik al jaren braaf onder de pannen ben.
 
Ik steek mijn tong uit. Maar zeg een tikje onzeker dat ik voor hem toch altijd lief ben. Ik krijg een droog meestal als antwoord.
 
Toch is er geen woord aan gelogen voor mijn zoon, mijn man en mijn beste vriend probeer ik altijd lief te zijn.
 
Nou ja.
 
Meestal dan toch…..
 
Maankind/Hellbunny
April 2012

Zomerland

Zomerland
 
Het ochtendbriesje is fris maar met de belofte van een warme dag. Ik sta met mijn blote voeten in het bedauwde gras en adem de geur in van de appelbloesem. Het is lente in het zomerland. Normaal de tijd van het jaar dat mijn hart overloopt van voorpret. Dit jaar is het anders, ik weet dat mijn afscheid nadert en dat verzwaart mijn hart.
 
Ik heb de vrouw aan de overkant van de rivier zien wuiven en dat vervult mij met vrees. Het is niet haar gestalte die mij bang maakt. Zij is niet slecht of eng. Zij is slechts een zuster die mij voorgegaan is. Het is angst voor het naderde afscheid, de angst voor het onbekende. Ik laat zoveel achter waarmee ik vertrouwd ben, waarvan ik hou.
 
Ik herinner me nog mijn angst toen ik hier aan kwam. Het afscheid was, zoals bij de meesten, onverwacht geweest. Ik was jong, geen meisje meer, maar ook zeker nog geen vrouw. De kleuren hier waren feller dan ik gewend was. De zon scherper en de geuren zwaarder. Ik voelde me hier ontheemd. Ver van het leven wat ik gewend was. Het duurde een tijd maar langzamerhand ging ik hier wennen. Ging ik houden van dat wat deze wereld me biedt. Had ik vrede met mijn veranderde lichaam. Hier genoot ik van mijn groeiende buik, hier werd ik moeder. Vond ik mijn plek in een immer veranderend universum. Maar mijn kind groeit op en wordt ouder. Mijn veranderingen waren lange tijd minder duidelijk dan die van hem. Tot ik op een ochtend wakker werd en me bewust was van het feit. Dat ook ik ouder geworden ben. Dat de zomer die eindeloos leek, ten einde gaat komen.
 
Toen ik hier kwam, verruilde ik mijn witte jurken voor lichtroze. Het roze van de frisse belofte ging over in het rood van het volle wasdom. Nu draag ik steeds vaker paars. Als teken van de overgang die steeds vaker mijn dagen kleurt. In de wetenschap, hierna volgt het zwart. Ik verander en mijn wereld verandert mee. Ik zal haar opnieuw moeten verkennen en de plek moeten vinden die voor mij bestemd is.
 
De vrouw aan de overkant van de rivier zwaait. Ik zwaai terug.
 
Ooit zal het zwart weer overgaan in wit. Zullen ze munten op mijn ogen leggen om de veerman te betalen.
 
Omdat niemand weet wanneer de laatste oversteek komt. Strek ik mijn rug, rek ik me uit. Adem de geur van de bloesem in en trek mijn mooiste rode jurk aan. Ik ga genieten, dansen en spelen in een wereld die nu nog de mijne is.
 
Maankind
Maart 2012

Het Elfde Gebod

Het Elfde Gebod

De lentezon schijnt op mijn gezicht. De wind speelt met mijn blote benen. Even heel bewust ben ik heel gelukkig en ontzettend dankbaar voor al het moois in mijn leven.

In de verte zie ik zijn gezicht. Zijn ogen staan dof. De lach om zijn mond en in zijn ogen waarvan ik zo houd verdwenen. Het liefst zou ik hem aan het lachen maken. Zoals ik dat vroeger deed. Hem wakker schudden of een schop onder zijn kont geven. Of alle drie tegelijk. Alles om maar door te dringen.

Geniet nou, alstjeblieft…

Hoewel ik het monster waar tegen hij soms strijd maar al te goed ken. Snap ik het niet, in mijn ogen heeft hij alles wat zijn hartje begeert. Een mooie, gezonde en lieve vrouw. Twee leuke gezonde kinderen. Ze hebben allebei een goede baan dus geld zorgen zullen het probleem ook niet zijn. Nou weet ik dat ik niet achter de voordeur kan kijken. Maar zo aan de buitenkant lijkt het perfect. Dat, en niets minder, wens ik hem ook van harte.

Met mijn ogen stijf dicht en zijn gezicht in mijn gedachten. Wens ik hem niets dan het allerbeste. Deel ik de ondeugende vrolijke belletjes van geluk. Die beginnen bij mijn tenen en mij helemaal vullen. Deel ik de blijdschap en die liefde die voel. Domweg omdat het lente is.

Op een vol terras zie ik iemand een biertje drinken. Ik schaterlach als ik naar het flesje kijk. Het Elfde Gebod; Gij Zult Genieten. Proost!

Maankind
Maart 2012

A Mermaids Curse

A Mermaids Curse
 
May my smile haunt you
May my eyes taunt you
May you never dare
to forget
my Raven hair
 
May the smell of my skin be in your nose,
delicate and sweet like that of a rose
May you never forget as such,
the softness of my touch.
And may you never dare
to think
that I don't care.
 
Maankind
Juni 1990
 

 

Het Verbond van Minnaressen

Het Verbond van Minnaressen.
 
Ze had het nooit van zijn leven verwacht dat ze zoiets zou doen. Ze was er altijd faliekant op tegen geweest. Had het enorm veroordeeld. Ze had de vernietigende kracht van het leed dat overspel heet. Al jong van dichtbij meegemaakt.
 
Maar ze had hier niet op gerekend. Het was te cliché voor woorden. En toch… Ze had hem meteen aantrekkelijk gevonden. En er was meteen een klik geweest. Dat was ook de reden dat ze de baan had gekregen. Maar daar had ze niets verkeerds ingezien. Als je dag in, dag uit samenwerkt. Kun je het maar beter goed met elkaar kunnen vinden. Ze had de veelbetekende blikken van haar collega’s bij de watertanks en de koffiemachine, notoire broedplaatsen voor geroddel, wel gezien. Maar ze had zich er niet van aangetrokken. Er was niets aan de hand, hij was immers getrouwd. De foto van zijn vrouw en kinderen stond prominent op zijn bureau. Het oude cliché van de saaie huissloof gold voor de nieuwe generatie vrouwen allang niet meer. Zijn vrouw was objectief mooi. Een leuk mens, tenminste voor zover zij dat kon opmaken, een leuke moeder en een succesvol carrièrevrouw. Een supervrouw dus waar ze alleen maar respect voor kon opbrengen.
Nee, ze had zich niets in haar hoofd gehaald. En was ook wat ze zichzelf had voorgehouden toen het begonnen was. “Haal jezelf niets in je hoofd”. Was een tijd lang haar mantra geweest. Toen de gewisselde blikken langdurige en intenser werden. Het lichaamscontact, een hand op haar schouder, een hand op haar hand. Vaker en langer dan strikt noodzakelijk was geworden. Het was voor haar een lange val geweest. Waar ze zich zo lang mogelijk tegen verzet had. Ze kon niet, ze wilde niet verliefd op hem worden. Maar in feite was ze dat natuurlijk allang geweest. Ze had het voor zichzelf kunnen ontkennen tot die ene kus. Die kus had alles in gang gezet. In het begin was ze alleen maar gelukkig geweest dat hij hetzelfde voelde voor haar. Maar langzaam was ze het schaduwbestaan waartoe ze verdoemd was gaan haten. Hij was niet van haar, ze moest hem stelen. Zijn kussen waren gestolen. Net als de tijd die ze met hem doorbracht. De verhalen over leuke gezinsuitjes deden pijn. Net als de vakantiefoto’s en de feestdagen. Die ze standaard, smachtend naar een levensteken van hem, alleen doorbracht.
Ongemerkt was ze lid geworden van een groep die openlijk werd veracht. Het verbond van minnaressen. Ze had er een radar voor ontwikkeld om een ander lid van een afstand te herkennen. Iets wat later bleek redelijk gebruikelijk was. It takes one to know one, is niet voor niets een bekend Engels gezegde. De mengeling van verboden seks en spanning gecombineerd met schaamte en verdriet hing als een goedkoop parfum om hen heen. Eén op vijf, kopte een hip damesblad. Met een wrange trek om haar mond concludeerde ze dat het zo ongeveer wel het juiste cijfer was. Met een aantal bondgenoten was ze vriendinnen geworden. Met wie kun je anders praten over de situatie waarin je bevindt? Niet werkt zo dempend op de sfeer, als de mededeling dat je minnaar getrouwd is. Het is niet iets wat je aan je familie of je keurig getrouwde vriendinnen vertelt. Vooral bij die laatste niet, want dan hoorde je gelijk bij het vijandelijk kamp
De club was overigens een gemêleerd gezelschap. Janny was een moderne en onafhankelijke carrièrevrouw, die geen behoefte had aan een relatie. Maar wel aan seks en dan bij voorkeur met een man die nooit verliefd op haar zou kunnen worden of een relatie zou willen. De cynische Miranda met haar ironische humor was van een heel ander slag. Zij noemde zichzelf liever courtisane en zag dat als haar beroep. Ze had een heel leger suikeroompjes en liet zich door hen onderhouden. Toegegeven de mannen kregen waar voor hun geld. Ze zorgde ervoor altijd tot in de puntjes verzorgd te zijn. En als ze mannelijk bezoek had altijd een goed humeur te hebben. Daarnaast paste ze zich als een kameleon aan de behoefte van haar “lieverds” aan. Een goede courtisane, had ze haar een keer verteld, bood meer dan spanning en seks. Ze was belezen, goed op de hoogte van de actualiteiten en kon goed luisteren. Daarnaast was er nog Jet, een behoeftige huisvrouw. Op zoek naar de grote ware liefde. In de netten van een knappe maar manipulerende getrouwde man verstrikt geraakt. Heilig overtuigd dat ze niet zonder hem kan, maar getuigen de vele huilbuien ook niet met. De goedlachse stevige Lieke was al snel haar beste vriendin van het stel geworden. Ze had thuis een man en kinderen, maar zocht een uitlaatklep voor haar andere minder brave kant. Praktisch en werelds als ze was had ze een website met de titel, gewillige getrouwde vrouwen gemaakt. Iets wat haar altijd een beetje misselijk maakte. In de loop van haar leven was ze een hoop dingen genoemd, maar gewillig was daar niet één van. Toen ze dat aan Lieke vertelde verzon zij voor haar een website naam die ze maar niet zal herhalen. Haar oren waren er van gaan gloeien. Iets wat Lieke nog harder had laten lachen dan normaal.
Hoewel alle dames veel van elkaar verschilde waren ze het over een dingen allemaal eens. Ze had van haar door-de-wol-geverfde vriendinnen al snel geleerd dat mannen hun vrouwen zelden of nooit verlaten voor hun minnares.
Groot was haar blijdschap dan ook geweest toen haar minnaar aankondigde te gaan scheiden. Ze twijfelde geen moment toen hij, toen de scheiding eenmaal rond was. Haar ten huwelijk vroeg. Het gedonder met een duivelse ex, boze kinderen en hoge alimentatie kon haar niet deren. Hij hield van haar, zij hield van hem. Alles zou goed komen. Ze twijfelde geen moment toen ze voor het altaar “ja, ik wil” zei. Ze twijfelde nog niet toen ze hem vol trots de positieve zwangerschapstest liet zien. Nee de twijfel begon pas toen zij, met enorm dikke buik, zwangerschapverlof nam en hij vol lof de haar invalster prees. De blik in zijn ogen leek verdacht veel op de blik die hij in het begin bij haar had gehad. De twijfel groeide, toen hij het bijlegde met zijn ex. In het belang van de kinderen natuurlijk. En daar tot overmaat van ramp ook weer klusjes in huis ging doen. De cynische opmerking die ze daarover wilde maken stierf op haar lippen. Hij zou haar ten slotte weinig goed doen.
De roze wolk van de geboorte van haar dochter had veel twijfels tijdelijk verhult. Hij was een leuke vader en de tijd die als gezin samen hadden maakte haar enorm gelukkig. Maar hij had het voorlopig niet meer nodig gevonden dat ze ging werken. En werkte zelf steeds vaker over. De crisis had het noodzakelijk gemaakt, zei hij.
Ze was zich langzamerhand steeds meer bewust geworden van haar taille. Die nooit meer zo slank was geworden als voor de bevalling. Zelfs niet na alle diëten en bezoeken aan de sportschool. Haar grijze haren die ze elke keer driftig weg verfde en de rimpels in haar gezicht. Nu was zij de echtgenote en hoewel ze probeerde te vertrouwen op zijn liefde voor haar. Kon ze niet vergeten hoe ze ooit begonnen waren.
 
Badend in het zweet wordt ze wakker. Ze voelt de kus van haar baas nog op haar mond. Hij is verliefd op haar, zij op hem. De aantrekkingskracht is enorm groot. Haar verstand en haar weerstand zijn de laatste tijd afgenomen. Eventjes zit ze te twijfelen in bed. Vervolgens belt ze haar baas op met de mededeling dat ze een griepje heeft. Bij het ontbijt slaat ze de krant open op de vacature pagina. Het zal moeilijk zijn om hem los te laten. Maar in haar droom heeft ze de “best case scenario” gezien en die was uiteindelijk niet goed genoeg.
 
Maankind
Januari 2012

Cold

Cold
 
I’m so cold you say
And you’re breath fogs up the glass
of the window
to the cold world outside
 
How do you feel alive
When everything you’ve ever worked for
Has been taken away
 
Everyone you’ve ever loved
has gone
 
Everything you ever believed in
Turned out be a lie
 
And every dream that kept you warm
Has been broken
 
I drew a heart
in the mist
your breath left behind
 
Please remember
The world outside is cold
It was the warmth from within you
That made it warmer
All along.
 
Maankind
Februari 2012

Wilde Vrouw

Wilde Vrouw
 
Mijn menselijk gezicht jeukt. De jeuk begint altijd linksonder in mijn nek en breidt zich vanaf daar langzaam uit. Het scheuren begint altijd bij mijn rechtermondhoek. Waar overmatig gebruik van een lieve glimlach metaal moeheid veroorzaakt. Een smalende glimlach past immers veel beter bij me. Dan ben ik echt. Ik draag het masker zolang dat ik soms zelf vergeet wie ik ben. Dan begin ik zelf te geloven in een brave en lieve versie van mij.
 
Aangepast tot op het bot. Ben ik niemand tot last en ben ik tenminste niet echt. Echt zijn is gevaarlijk heb ik geleerd. Mijn echte ik heeft temperament. Genetisch meegekregen van mijn vader. Dus welbeschouwd niet mijn schuld. Mijn echte ik is angstaanjagend en onverantwoordelijk. Ze lacht wanneer ze vrolijk is. Maar dat is geaccepteerd. Ze huilt wanneer ze gekwetst is en ze vlamt wanneer ze boos is. Dat mag niet. Dat is niet netjes. Dus ik doe mijn masker op en probeer net zo afgestompt te zijn als de mensheid om me heen.
 
Soms vervaagt ze even, mijn masker. Dan vergeet ik me te conformeren. Dan reageer ik vanuit mijn emoties. Die vele malen sterker zijn dan van de mensen. God schiep de mens en Papa kreeg mij….
Anders zijn is bedreigend, mezelf zijn is gevaarlijk. Mij wacht geen verbanning of pek en veren, maar de brandstapel.
 
Lange tijd geniet ik van de rust en evenwicht die het goed zijn me brengt. Totdat ik me begin te vervelen. Dan begint de kriebel, die er uiteindelijk tot zal leiden dat ik mijn masker af moet doen en krabben. Ik gooi mijn kont tegen de kribbe. Ik word de olifant in de porseleinkast. En ik verbrand mijn schepen. Vernietiging schept nieuwe mogelijkheden. Nieuwe mogelijkheden geven mij dat wat ik nodig heb. Het gevoel dat ik leef, vrijheid, speelruimte en nieuwe prikkels.
 
Gelukkig ben ik nooit geïnteresseerd geweest in veel van de bekende aardse verlokkingen. Drugs kunnen mijn niet boeien. Drank daar heb ik een zwak voor maar gaat me snel vervelen. Maar er is een verslaving waar ik wel gevoelig voor ben. En deze kan vernietigender werken. Dan de twee die ik hiervoor heb genoemd. In tijden als deze lonkt ze naar me. En ik vind het moeilijk, steeds moeilijker, om haar te weer staan. Zij geeft mij het gevoel dat mijn hart weer klopt, dat het bloed door mijn aderen bruist. Ik geniet intens van haar “highs” en naar ik vrees minstens net zo veel van haar “lows”. Zij prikkelt, mijn van nature aangeboren, jachtinstinct. De liefde, en dan met name verliefdheid, kan ik maar moeilijk weerstaan.
 
Mijn laatste slachtoffer heb ik uit menselijkheid laten gaan. Ik heb me lief en verantwoordelijk gedragen. Als ik was doorgegaan had ik zoveel kapot gemaakt. Maar ook zoveel nieuwe mogelijkheden geschapen. Ik hield genoeg van hem om hem los te laten. Om hem de rust en de evenwicht te gunnen. Die hij zo nodig had. Want wij beiden gingen bijna kapot en met ons alles wat ons lief was.Maar ik mis hem. Of misschien mis ik de jacht.
 
Ik wil zijn hart aan mijn voeten hebben liggen. Het vasthouden in mijn handen. Het tot leven wekken met mijn aanraking. Het burgerlijk pak wat hem zijn vrijheid beneemt uittrekken. Zijn welvingen verkennen met mijn handen. Zijn ware gezicht kussen. De diepte van zijn ziel verkennen met mijn adem.
 
IK WIL HEM.
 
En als zijn zielenrust hem lief is blijft hij bij mij uit de buurt. Want ik weet niet hoe lang mijn ware aard zich laat sussen met rust en evenwicht. Zich laat ketenen door verantwoordelijk zijn.
 
Maankind
December 2011
 
"Baba Jaga, een wilde Slavische godin van dood en geboorte, vloog rond in een vijzel - een harde kom met bijbehorende stamper om planten, noten en dergelijke in te malen. Ze ging wild en ingrijpend tekeer. Ze kan worden gezien als een godin die irrelevante dingen wegmaalt. ~ Bron: Het Godinnen Orakel van Amy Sophie Marashinsky"

Disclaimer

Disclaimer
 
of F*ck de (zelf)censuur
 
Lieve lezer,
 
Leuk dat je hier leest. Naar ik vermoed doe je dat vrijwillig. Ik zit tenslotte niet naast je, met een pistool op je hoofd en dwing je om te lezen, toch? Dus hoewel ik het enorm waardeer dat je hier leest. Is het geen verplichting. Mijn levensfilosofie omvat onder andere; doe wat je wil, maar schaad niemand. Aangezien het onmogelijk blijkt om te leven zonder een ander te kwetsen. Heb ik daar van gemaakt; doe wat je wil maar schaadt niemand bewust.
 
Tot nu toe heb ik bij elk verhaal wat ik plaatste veel rekening gehouden met het feit dat jij achter de pc zit en het leest. Geprobeerd in te schatten wat jij van een verhaal zou vinden, wat jou zou kunnen kwetsen. En nu moet ik bekennen dat het niet werkt.
 
Weet je, schrijven is een heel egoïstisch iets. Als ik schrijf is dat om een beeld, emoties of situatie vorm te geven zoals ik dat in mijn hoofd heb. En nu je hier toch leest zal ik je gelijk een geheim vertellen, mijn verhalen gaan maar zelden over mij. Ik, mijn gevoelens en mijn belevingen, zijn simpelweg te saai om over te schrijven. Daarnaast, sorry dat ik het zeg, gaan sommige dingen, hoeveel ik ook van jullie houdt. Jullie gewoon niets aan. Naar mate ik langer schrijf heb ik steeds meer het autobiografische losgelaten en de magische realiteit en de fictie omarmt. Natuurlijk zal een lezer die mij persoonlijk kent, elementen van mij, mijn leven of mijn leefomgeving herkennen. Maar dat wil niet zeggen dat alles 100% echt zo gebeurd of gevoeld is. Zoals gezegd schrijven is een egoïstische bezigheid, alles wordt in dienst gesteld van het scheppen van het beeld.
 
Mijn verhalen kunnen mooi en lief zijn, heftig en filosofisch, maar ook hard en cynisch. Hun voornaamste doel is om de lezer tot nadenken aan te zetten. In het dagelijks leven lukt het me niet om over koetjes en kalfjes te praten. Met schrijven heb ik dezelfde handicap. Ik schrijf over goede mensen met slechte intenties, slechte mensen met goede intenties, gewone mensen die buitengewone dingen doen, buitengewone mensen die gewone dingen doen. Zelfs als mijn pennenstreken grof zijn, ben ik op zoek naar de nuances. In mijn ogen is de speurtocht naar evenwicht de zin van het leven. Het duister en het licht hebben elkaar nodig om te bestaan. Waardeoordelen zijn subjectief, worden sterk bepaald door referentiekader, levenservaring en cultuur. Een oordeel wat een mens velt. Zegt velen malen meer over die persoon zelf, dan over de ander…. En als je het zo bekijkt kun je afvragen of (ver)oordelen zin heeft. Of de les, die jij over jezelf leert, niet velen malen belangrijker is.
 
Vanaf nu ga ik bij het plaatsen van mijn verhalen slechts rekening houden met wat ik van het desbetreffende verhaal vind. Sommige verhalen zijn gewoon niet goed genoeg om te plaatsen. Anderen zijn te kwetsbaar, staan te dicht bij mezelf. Mijn filosofie van een ander niet expres kwetsen zal ik handhaven. Maar mijn angst voor jouw oordeel zal ik proberen los te laten. Omdat het mij bij het schrijven belemmert.
 
“ Geen dag, zonder nacht. Geen leven zonder de dood. Zonder het mannelijk zaad geen leven in de moederschoot. De zoektocht naar evenwicht is de basis van alles. Als je het oordeel loslaat is er slechts Bewust Zijn.”
 
Maankind
Februari 2012

De Verhalenverteller

De Verhalenverteller
 
“When people told themselves their past with stories, explained their present with stories, foretold the future with stories, the best place by the fire was kept for... The Storyteller”
 
Aan die zinnen denk ik terwijl ik, diep in de kraag van winterjas gedoken, naar hem kijk. Het is December. De tijd van het jaar dat ik, die er toch al gevoelig voor is, altijd last heb van een melancholisch humeur. Ik verlaat mijn huis in het donker, om er pas als het weer donker is terug te keren. De rest van de tijd spendeer ik in een betonnen blokkendoos met een groot gebrek aan frisse lucht en natuurlijk daglicht. Omringd door mensen en toch alleen omdat er maar zo weinig vrienden zijn. Het hoogtepunt van mijn dag is, als ik de sprookjesachtige duistere wereld aan me voorbij zie glijden in de trein. Overmand door het gevoel geen contact te kunnen maken met de realiteit. Houd ik me vast aan de lichtjes die naar me twinkelen en me blij maken dwars door de duisternis. Bij de ramen verlicht met kerstboomlichtjes. Verzin ik een verhaal van een gelukkig gezin dat samen de magie van het wachten op kerstmis beleeft. Zo heel anders dan mijn realiteit waarin ik alleen maar mensen zie op school en tijdens het boodschappen doen. Om vervolgens terug te gaan naar mijn kamer en over mijn studieboeken naar buiten te kijken. Vol verlangen naar contact met al het leven daarbuiten. Maar zonder het vermogen om het te maken.
 
Hij is kalend met een witte baard en een witte snor. Zijn gezette lichaam steekt in nette vrijetijdskleding. Voor hem op het treintafeltje staat een zwarte gleufhoed. Het meest opvallende zijn, zijn blozende rode wangen en heldere sprankelende blauwe ogen. Hij is druk in gesprek met de drie jongeren die de vorige halte bij hem zijn komen zitten. Daarvoor zat hij, net als ik, alleen en in gedachte naar buiten te staren. Ik hou ervan om mensen te bekijken, te analyseren en gebruik vaak de reflectie van het raam om de mensen in de coupe rustig te bekijken. Vol passie en met drukke gebaren vertelt hij hele verhalen. Ik sper mijn oren open maar versta er niet veel meer dan flarden. De studenten die bij hem zitten luisteren geanimeerd. Ik benijd hen en zou er graag bij gaan zitten, maar alle zitplaatsen zijn bezet. Zichtbaar teleurgesteld stappen ze bij hun halte uit. Allen bedanken en groeten hem alsof ze al jaren goede vrienden zijn. Het voelt alsof, ik zo vlak voor de kerstvakantie, een kerstwonder heb zien gebeuren. Ik heb niet de moed om bij hem te gaan zitten. Ik vind dat nogal een statement en ik besluit dan ook mijn observatie via het raam voort te zetten. Dan ontmoeten zijn ogen in raam de mijne. Hij lacht en klopt uitnodigend op de bank tegenover hem. Ik bloos maar mijn aangeboren nieuwsgierigheid wint en ik besluit de uitnodiging aan te nemen.
“Je hebt zitten kijken en luisteren”, zegt hij. Ik knik verlegen. Hij lacht hardop en voluit. De lach klinkt warm als een deken. Ik krijg visioenen van warme chocolademelk en amandelkoekjes. Waren al uw verhalen echt?, vraag ik. Hij vertelt me dat realiteit een relatief begrip is. Dat woorden magisch zijn en dat een verteller de mogelijkheid heeft om zijn eigen werkelijkheid te scheppen. Dat als de mensen het verhaal geloven het waar wordt. Dus het was allemaal verzonnen?! Zeg ik vol ongeloof. Nee, zegt hij. Elk verhaal is altijd min of meer autobiografisch. Omdat hij begint met een beeld of emotie die je ziet of voelt en die gedeeld en gehoord wil worden. Een verhaal vertelt altijd iets over de verteller, ook al is het maar een waarheid ter grootte van een zandkorrel. Maar hoed je een verhaal te analyseren, en die analyse aan te nemen als de waarheid. Ik frons. Hij vervolgt, want de interpretatie van een verhaal vertelt vaak vele malen meer over de toehoorder zelf.
Hij kijkt me ernstig aan en neemt mijn hand in de zijne. Jongedame ooit zal er in je leven een tijd komen dat je een bestemming zoekt. Herinner je dan, dat jij ook een verhalenverteller bent.
De volgende halte nadert, hij staat op. De trein rijdt over een wissel en schokt. Hij pakt zich vast aan de bank om zijn evenwicht te bewaren. En roept lachend;" Ho, ho, ho!" Terwijl hij zich half naar me omdraait. Wenst hij me alvast een vrolijk kerstfeest.
 
Maankind
Januari 2012

Een kwestie van vertrouwen

Een kwestie van vertrouwen
 
Zijn stem had zacht en verdrietig geklonken. Toen hij het tegen haar gezegd had; “Je vertrouwt me niet.” Zij had de woorden tussen hun in laten liggen. Op haar lip gebeten maar niet gereageerd. Het was tenslotte de waarheid en ze had niet de behoefte gehad om er tegen in te gaan.
 
Nu, in de stilte die zijn afwezigheid meebracht. Kwamen de woorden wel. Wilde ze van haar lippen stromen. Maar ze slikte ze in, omdat er niemand was om er naar te luisteren. Bij hem hadden ze niet willen komen. Omdat ze niet verwachtte dat hij het zou begrijpen. Hij had immers al zo vaak dingen, pijnlijk openlijk en eerlijk uitgelegd, niet begrepen. Of soms zelfs op weerzinwekkende en beledigende wijze verkeerd uitgelegd. Hij had in het verleden al zo vaak, bewust en onbewust. Haar hart uit zijn handen laten glippen en er met zijn lompe voeten op gestaan. Het zou makkelijk, en zelfs lekker, geweest zijn om dit alles tegen hem te zeggen. Haar verwijten tegen over de zijne te zetten. Ze te laten vechten totdat er alleen maar verliezers waren.
 
En, als ze eerlijk is. Is ze bang dat het dan ook precies is wat ze gedaan heeft. In de verwarring die zijn woorden bij haar hadden geschapen. Verwarring die hij altijd alleen al met zijn aanwezigheid schiep. Ze wist het niet zeker. Maar hij had immers met hangende schouders de kamer verlaten. Ze hoopte dat ze te midden van de chaos haar tong had weten te bedwingen. Zodat ze er niet aan zou hebben bijgedragen.
Nu in de kalmte van de nacht, even rationeel en duister als hij. Hoopt ze van harte dat alles gegaan is zoals zij het zich herinnert. Want nu de mist en chaos van de emoties zijn opgetrokken. Weet ze zo goed wat ze had willen zeggen. Ze had hem willen vertellen dat je vertrouwen niet kunt opeisen. Dat je niet een leven kan binnen komen walsen en dan kunt eisen dat je vertrouwd wordt. Dat een hint, een belofte van wederzijdse verliefdheid niet voldoende is. Om blind vertrouwen te kunnen geven. Verliefdheid is immers grillig, onvoorspelbaar en zelfs regelmatig dodelijk onbetrouwbaar. Zij verlaat soms, om teruggehaald te kunnen worden. Liegt soms om geloofd te worden. Houd soms zomaar op met bestaan. Juist in dat prille begin. En juist in dat prille begin had zij bevestiging en vertrouwen nodig. Vertrouwen wat hij haar niet schonk door zijn echte ik niet te laten zien. Bevestiging van zijn liefde die hij haar niet gaf. Door zijn macht over andere vrouwen ten toon te stellen. Ze wiste wat hij kon. Ze voelde wat hij voelde voor haar. Maar weten deed ze het niet. In zaken van het hart, vertrouwt ze alleen haar verstand.
Vertrouwen moet je verdienen, vertrouwen moet groeien: verzucht ze. De eenzaamheid en de leegte van het wachten zat, doet ze de deur die hen scheidt dicht.
Ze had hem inderdaad niet vertrouwd. Tussen al zijn vage toespelingen, halve waarheden en hele leugens. Was dat de enige waarheid gebleken. En het gebrek aan vertrouwen, was zoals alles tussen hen, wederzijds gebleken.
 
Maankind
December 2011
 
"Every night I remember that evening
The way you looked when you said you were leaving
The way you cried as you turned to walk away
The cruel words and the false accusations
The mean looks and the same old frustrations
I never thought that we'd throw it all away
But we threw it all away.
 
 
Scouting for Girls - This Ain't a Love Song"
 

Tuin der Vergankelijkheid

Tuin der Vergankelijkheid
 
In een tuin vol stenen.
Danst zij op blote voeten.
Ze kent iedereen bij naam.
Gaat een ieder van hen begroeten.
 
Zij deelt met hen,
haar bloemen, fruit en haar lach.
Zoekt hun aanwezigheid
Op de stille momenten van de dag.
 
Daar waar een ander slechts
Leegte en eenzaamheid ziet.
Ziet zij de schoonheid van de seizoenen
Van de vergankelijkheid
En geniet.
 
Van al
wat het leven
Heeft te geven.
 
Geïnspireerd door de aflevering van Paradijstuinen over Begraafplaats Huis te Vraag.
 

 

 

PanterVrouw

PanterVrouw
 
In de vele jaren dat ze samen zijn heeft hij de tekenen leren zien. Hij weet, misschien nog eerder wel dan zij. Wanneer het gebeuren gaat. Het begint altijd met haar ogen die donkerder worden. Haar pas wordt pinniger. Haar linkervoet die als ze zit. Onrustig heen en weer begint te zwiepen. Als de staart van een kat die geïrriteerd is.
 
In het gewone dagelijkse leven is ze zijn vrouw. Een lieve goede moeder en echtgenote. Deze andere kant houdt ze angstvallig verborgen uit angst afgewezen te worden. Toch is het juist de opmerkelijke tweedeling van haar karakter. Waarop hij verliefd is geworden. Want deze kant is het. Die haar kracht geeft, haar vormt. Die als het ware haar ruggengraat is. De ene kant zou zwak zijn zonder de andere kant. Hij bewondert haar zoektocht naar evenwicht tussen het duister en het licht. Hij veroordeelt haar niet. Hij kan haar niet veroordelen. Hij heeft zijn eigen zoektocht.
 
De volgende fase is begonnen. Haar woorden staan nu klaar om hem te bespringen en hem te verscheuren. Hij ziet ze dichterbij komen in haar ogen. Het duister zal haar langzaam overnemen. Totdat er van haar dagelijkse verschijning niets meer over is. Een ogenblik lang ziet hij angst in haar ogen. Dit is het moment waarop ze van de overgang bewust is. De angst om niet meer terug te komen uit het duister. Is altijd levensgroot aanwezig.
 
Een deel van haar aantrekkingskracht op hem. Is het idee , dichtbij haar alles vernietigende kracht te zijn. Het idee zelfs Heer en Meester ervan te zijn. Maar alleen het feit dat hij zijn plaats kent. Weerhoudt haar van hem hetzelfde lot toekennen als al die anderen. Al die anderen die denken haar aan te kunnen. Haar te kunnen temmen. Toch is er niets aantrekkelijker dan haar de schaduw van haar duistere kant. Door haar dagelijkse gezicht te zien schemeren. Honderd procent vrouw, honderd procent kracht en honderd procent van hem.
 
Het andere deel van de aantrekkingskracht heeft een duisterdere naam.
Het heet herkenning….
 
Hij zal dat deel wat altijd bij hem blijft bewaken. En zo meteen als zij terugkeert van haar jacht. Zal ze haar onweerstaanbare duivelse grijns lachen. Hij zal het spoortje mannenziel wat in haar mondhoek is achtergebleven weg vegen. Hij zal genieten van het vuur in haar ogen en de kracht onder haar huid. Hij zal haar strelen totdat ze weer helemaal van hem is.
 
Hij kijkt naar buiten. Hij siddert en huilt naar de volle maan.
 
Maankind
Oktober 2011

Omarm de Stilte

Omarm de Stilte
 
De stilte toont mij,
het bloeden van jou hart
Nooit krachtiger verwoord,
dan in jouw oog en blik
 
Ik bewaak en tem
mijn tong
Zij die vol passie en vuur,
mijn pijn gestalte geeft
Ze heeft je eerder al verwond
 
Alles wat zin heeft
is al gezegd
Tezamen met alles
wat ik beter niet had kunnen zeggen,
En met wat jij verkeerd begrepen hebt.
 
Woorden helen niet
Maar strooien,
het zout van mijn tranen,
in de open wonden
 
Jij verwijt mij kilte
Om mijn afgewende ogen
En mijn stilte
Als je mij zou kennen
zou je haar koesteren
 
Ik bescherm slechts,
dat wat er van ons
over is.
 
Maankind
Februari 2011

De puurste vorm van liefde

De puurste vorm van liefde...
 
Hij kijk naar haar. Zij kijkt terug en lacht een bijna serene lach. Die lach is vrolijk en tevreden. Hij lacht terug met de kwajongenslach die hem zo kenmerkt. Beiden simpelweg gelukkig met het bij elkaar zijn.
 
Later tijdens een groepswandeling. Lopen ze naast elkaar hun handen raken elkaar net niet. Ze gaan volledig in elkaar op. Ze creëren hun eigen bubbel, hun eigen wereld. Een wereld waarin soms alleen even haar beste vriendin en zijn beste vriend wordt getolereerd. Openlijk verkering dat willen ze niet. Ik snap het best. Wat ze delen is zo teer en zo puur. Laat de wereld daar nog maar even buiten.
 
Tijdens het avondeten bij mij aan tafel delen ze weer zo’n blik en zo’n lach. En ik vraag me beteuterd af. Wanneer lachte voor het laatst iemand zo naar mij….
 
Maankind
Oktober 2011

Luna

Luna

De wind ruist door haar rokken en de heide kraakt onder haar voeten. Het schijnsel van maan, die zelf het licht van de zon reflecteert. Wordt weerkaatst door de lichte huid van haar gezicht.

Vroeger sloop hij op dit soort nachten voorzichtig achter haar aan. Nu volgt hij haar rustig op een afstandje. In de wetenschap dat zij weet dat hij er is. En zijn gezelschap accepteert. Misschien zelfs wel waardeert. Zolang hij haar maar niet stoort. Daar waar zij vertrouwt op de bescherming van hoger hand. Is zijn praktische geest toch een stuk geruster als hij bij haar in de buurt is. In de vele jaren die ze samen zijn, is hij gaan houden van al haar fasen. En heeft hij leren meedeinen op haar getijden. Voorspelbaar in haar onvoorspelbaarheid als ze is.

Terwijl ze haar plek op de heuvel onder de eik inneemt. Neemt hij haar gestalte liefdevol in zich op. Ze is een liefdevolle moeder voor hun kind. En dol op alle kinderen. Ze is zorgzaam voor kinderen, dieren en een ieder die haar nodig heeft. Dat is het gezicht wat ze de meeste mensen laat zien. Slechts weinigen kennen de andere twee. Hij heeft de heks die ze ook is leren te respecteren. Ze wordt niet graag onderschat en hij heeft genoeg gezien in de loop der tijd. Om zo’n fout niet licht meer te maken.

Het liefste is hem de speelse kant van haar natuur. Het jonge meisje, de jonge vrouw, het elfje wat soms zomaar opeens haar gezicht laat zien. Hem vangt met haar maanlicht en betoverd met haar sterrenstof. Dan voelt hij zich alsof hij alles aan kan. Dan voelt hij zich alsof hij kan vliegen. Al is het alleen maar zijn hart.

Ze kijkt, al zittend, omhoog. In het maanlicht in gesprek met iemand die hij niet ziet. Of het moet de maan zelf zijn. Een kleine zwarte vleermuis vliegt cirkeltjes boven haar in de lucht. Ze ziet hem en lacht. In een laatste groet kijkt zijn naar boven en staat op. Ze kust hem, als ze zijn hand pakt. Haar ritueel is ten einde. Tijd om naar huis te gaan.

Maankind
September 2011

Oude ziel

Oude ziel
 
De kreten van mijn zus haar barensnood vullen de hal. Ondanks de warmte van de haard, waar ik naast zit. Lopen de rillingen over mijn rug. Het duurt te lang, veel te lang. Al enkele dagen geleden diende de eerste tekenen zich aan. En nog is het kind er niet. De blik in de ogen van mijn moeder. Als ze de deur dichttrekt van het slaapvertrek staat mij niet aan. Noch het nerveuze handenwringen van mijn vader. Die in het begin zo rustig was. Hij is tenslotte wel wat gewend na het krijgen van twee dochters. En het helpen van mijn moeder, die al zoveel bevallingen in onze gemeenschap begeleidde.
 
Mijn oog valt op een klein meisje, van amper meer dan een jaar koud. Dat in haar eentje over de binnenplaats scharrelt. Ze loopt met de wankele passen van een kind dat net kan lopen. Maar toch heeft ze iets vastberadens over zich. Haar blonde haartjes lijken op dons. Maar ik kan niet zeggen dat ik haar vertederend vind. Ze baart me onrust. Elke keer dat ik haar zag heb ik geprobeerd een glimp van haar moeder of desnoods een tante of oudere zus op te vangen. Maar ze is helemaal alleen. Ze ziet er niet verwaarloosd uit. Haar wollen jurkje en haar leren schoentjes zijn beiden met veel liefde gemaakt en afgewerkt.
Vader komt bij het vuur zitten. Ik schrik als ik zijn gezicht zie. Mijn beiden ouders zijn rotsen in de branding. Rustig en bedaard. De angst op zijn gezicht zien. Maakt mij nog vele malen banger dan ik al was. Hij heeft duidelijk vannacht niet geslapen. Omwille van hem slik ik mijn angst in. Rusteloos staar ik in het vuur.
De vader van het kind wat mijn zus draagt is niet aanwezig. In onze gemeenschap zijn alle kinderen een geschenk aan de moeder. Vaders zijn niet van belang en mijn zus is zwanger geworden bij de Beltaine vuren. Zoals het hoort. Dat wij opgegroeid zijn met een vader is niet zoals het hoort. Maar mijn ouders houden, nog steeds, oprecht van elkaar. Ze zijn vergroeid zoals de twee oude eiken op het plein. Ik heb geen kinderen. Hoewel ik daar wel de leeftijd voor heb. Maar van mijn vader mag ik nog niet met de feesten meedoen. Hij zegt dat hij me te jong vindt. Te onverantwoordelijk. Maar dat is niet de echte reden. Hij kent mijn diepste geheim, mijn grootste verlangen. Ik wil dat wat mijn ouders hebben. Een verbintenis. Ik ben verliefd….
Als ik opsta van mijn bank. Zie ik het kleine meisje richting de vijver gaan. Ik wil schreeuwen maar er is niemand op het plein. Ik pak mijn rokken bij elkaar en begin te rennen. Als ik bij de vijver kom. Lijkt het erop dat ik te laat ben. Ik trek de kleine meid uit het water en klop op haar rug. Als ze haar ogen open doet schrik ik. Haar ogen zijn bruin, bijna zwart. Het zijn de ogen van een oude vrouw. Als ze begint te praten schrik ik nogmaals. Wat zegt is geen kindergebrabbel. Ook haar stem is volwassen. Toch is ze ergens ook een klein kind. Ze begint onbedaarlijk te huilen. Ik neem haar in mijn armen. Droog haar met mijn rokken en zing een wiegelied. Eenmaal gekalmeerd begint ze te vertellen. Over de angst om te leven, over de angst voor pijn en verdriet. Als ze uitgepraat is dan is het mijn beurt. Over de schoonheid van de wereld en het leven. Over de schoonheid van liefde in al haar soorten en maten. Ze lacht…
Dan schrik ik versuft op van de deur van het slaapvertrek die door mijn moeder triomfantelijk wordt opengegooid. Mijn zus heeft een dochter gekregen. Alles is goed met moeder en dochter. Als ik opsta van het vuur. Besef ik dat ik mijn nichtje vlak daarvoor al hebt ontmoet.
 
Maankind
September 2011

Grensgeschil

Grensgeschil
 
Zoals ze daar zat, was het net alsof hij haar zag dansen. Met haar hart en ziel in haar voeten. Steeds sneller bewegend, op muziek die hij nooit kon horen. Die bij haar van binnen eeuwig leek te spelen. Ze danst altijd op haar eigen maat. Hoewel ze stil zat, bewoog alles aan haar. De plukken van haar nonchalant opgestoken haar en haar veelkleurig gekleurde rokken bewogen in de wind. Haar ogen schoten alle kanten op. Haar warme mond vertoonde tijdens hun gesprek alle fasen van de maan. Als kwikzilver schoten de emoties over haar gelaat. Soms verbaasd, soms verlegen, soms geërgerd, maar altijd in beweging. Vrouwe der Chaos noemde hij haar. Diep in zijn hart klinkt het stil; Vrouwe van mijn Hart. Zijn Vrouwe.
 
“Waarom vraag je mij de chaos te verlaten?”, klinkt het uit haar mond. Een rimpel die er daarnet niet was, maar die hij maar al te goed kent. Verschijnt op haar voorhoofd.
 
Bij haar van binnen groeit de ergernis, groeit de wanhoop. Hoe kan hij haar vragen haar wereld te verlaten. De chaos die hij zo vreest. Omringt haar met liefde. Alleen vanuit chaos kan zij creëren. Kan zij haar wereld scheppen. Hoe durft hij te beweren dat zij niets is. Terwijl haar handen, haar hart en haar baarmoeder de wereld vullen met liefde en schoonheid. Boos kijkt ze naar hem. Ogenschijnlijk rustig maar altijd op zijn hoede. Altijd berekend. Heer der Cijfers, noemt ze hem. Zijn haar blijft altijd keurig op zijn plaats. Nooit zit er ook maar één haartje verkeerd. Vastgeplakt met de gel der burgerlijkheid. Ooit probeerde ze hem los te weken met het water van haar liefde. Maar die pogingen eindigden in een zee van tranen. Waarin zij eenzaam bijna was verdronken. Ze was langzaam zijn houding gaan haten. Zoals hij zat, niet te recht, niet te star, niet te losjes, perfectly cool. Maar nooit echt. Koel en berekend als een slang. Een slang die zich om haar hart heeft gewonden. Haar hart is Zijn thuis.
 
Opeens ziet hij haar ogen gaan stralen. Het licht in haar ontstoken waarvan hij zo houdt. Hij raakt zoals altijd in verwarring. Haar stemmingen komen en gaan. Onberekenbaar als de wind die ze mee lijkt te voeren. Een glimlach speelt ondeugend met haar mond. Kleurt haar lippen en haar wangen liefelijk en uitnodigend dieproze.
 
Zij besluit de warmte die ze van binnen voelt te delen. Terwijl ze vlinderlicht zijn wang beroert fluistert ze: jouw wereld, jouw regels. In het mijne de mijne…
 
Twee kanten van de munten. Altijd één, maar nooit samen. Eeuwig dansend, eeuwig zoekend, naar evenwicht.
 
Elkaar zoekend op de grens van dag en nacht.
 
Maankind
April 2011

Onverwachte Visite

Onverwachte Visite
 
Soms, kom je ze zomaar opeens weer tegen. Oude vrienden, oude bekenden en oude liefdes. Op straat of in je dromen….
 
Met een slaperig hoofd, in mijn slobberpyjama en nog zonder make-up, wandel ik de trap af. Nog voordat ik de onderste tree heb bereikt gaat de voordeurbel. Als ik de deur open doe, zie ik daar het lachende gezicht van een oude liefde. Opeens ben ik me akelig bewust van mijn onverzorgde uiterlijk. Aan zijn hand een klein blond manneke met dezelfde onweerstaanbare grijns als zijn papa.
 
Hij was zo veel meer dan een verliefdheid. Hij was mijn oudere buurjongen en tijden lang een heel goede vriend. Misschien had hij dat moeten blijven. Maandenlang hadden we met de kinderen uit de buurt plezier met elkaar. Het was zomer, de eindeloos lange zomervakantie na mijn Mavo examen. In mijn herinneringen is het elke dag stralend mooi weer. Er vlinderde verschillende setjes om elkaar heen. En wij waren het laatste setje dat officieel verkering kreeg. Al was het allang duidelijk dat we wat hadden. Als ik denk wat die arme jongen allemaal heeft moeten doorstaan, dan schaam ik me een beetje. Hij zong niet voor niets regelmatig het regeltje “Ik heb allemaal blauwe plekken van jou, blauwe plekken van jou”. Apenliefde, want intimiteit zowel fysiek als emotioneel vond ik moeilijk. Kon ik eigenlijk niet aan. Het begin van onze verkering luidde tegelijkertijd ook het einde in. Ik kon de druk van het gezeur thuis en de fysieke verwachtingen die voelde als verplichtingen, niet aan. Hopeloos kinderachtig voelde ik me. Omdat zelfs het geven van een tongzoen, me nog een brug te ver was. Toen hij vervolgens daarover tegenover onze vrienden loog. Voelde ik me verraden en onder druk gezet. En met de zomer, kwam ook onze verkering tot een einde.
 
Van mijn pyjama en blote gezicht ben ik me allang niet meer bewust. Als ik honderduit met hem zit te praten en te dollen met zijn zoontje. Dat was altijd zijn grote kracht, dat ik me bij hem op mijn gemak voelde. Iets wat in die tijd, vooral in de buurt van mannen, niet voor kwam. Vol liefde en blijdschap, kijk ik naar zijn kleine mannetje en zijn trotse vaderlijke blik. Met dat gevoel word ik wakker en het blijft de hele ochtend bij me.
 
Nieuwsgierig, zoek ik op de sociale netwerksites naar zijn gezicht. En misschien nog belangrijker, naar dat van zijn manneke. En als ik hem vind, lachen twee bekende gezichten naar me.
 
Met een brok in mijn keel fluister ik: “Bedankt voor je bezoek.”
 
Maankind
Maart 2011
 

The Riddle

The Riddle
 
De olifant in de porseleinkast, staart naar me, vanachter het glas. Ik kijk woest terug en steek mijn tong uit. Op hoge heksen hakken, been ik weg, maar ik voel zijn ogen in mijn rug prikken. Een tijdje geleden had ik hem een naam gegeven. Een naam, waarvan ik nog steeds niet weet, of hij nou past. Het borrelt in mij, het kriebelt in mij. De rust waarnaar ik zo lang verlangde benauwd mij.
 
Terwijl de storm buiten is gaan liggen, woedt hij hevig in mij. Ik zou hem kunnen temmen, ik zou hem moeten temmen. Het zou velen malen verstandiger zijn. Maar als ik hem tem, val ik in slaap en veranderd het bloed in mijn aderen in ijs. Althans daar ben ik, kinderachtig genoeg, bang voor.
 
Dus ik stamp, met mijn hoge hakken, op het parket, om dan tenminste daar, voetstappen achter te laten. Ik vloek en tier, tegen het luchtledige. Woorden niet gesproken, daar waar ze gehoord zouden kunnen worden. Omdat ik weet dat woorden, meer dan wat dan ook, pijn kunnen doen. Ben ik lief of ben ik laf. Ik weet het niet, het is mij om het even.
 
De baldadigheid ten top, besluit ik net als vroeger belletje te gaan lellen. Aanbellen, om vervolgens hard en laf, weg te rennen. Met mijn hart in mij keel, luister ik of er word opengedaan, maar geen geluid. Ik voel mij triest en verlaten, wil er dan niemand met mij spelen?
 
Terug naar binnen dan maar. De olifant is op zijn plaats. Ik speel met hem, net als vroeger in de klas, verliefd op de liefde en misschien op een jongen. Kijken of hij kijkt en dan snel wegkijken, maar hij kijkt niet…
 
Hij is en hij is er niet. Voor eeuwig in mijn kast, maar nooit de mijne.
 
Ik wil hem treiteren, ik wil hem plagen. Ik zal moeten veranderen in een vlinder, om hem te verwonderen of te verjagen.
 
Iets….smeek ik hem.
 
Iets, alsjeblieft?
 
De wind houd haar adem in en het dwarrelt bevroren tranen. De wereld wordt stil en wit, de rook uit de schoorsteen is zwart.
 
En ik? Ik verlang naar kleur en leven.
 
Maankind
December 2010

Warme kersen met slagroom

Warme kersen met slagroom
 
Een gure zaterdagmiddag, aan het einde van november. Het cafeetje, in het centrum van de stad, is gevuld, met mensen die uitrusten van het winkelen. Met het sinterklaasfeest zo vlak voor de deur, is het duidelijk drukker dan normaal. Hij zit en geniet van het tevreden gebabbel van zijn vrouw. Terwijl hij luistert, dwalen zijn ogen rond door de menigte. Zijn ogen blijven steken bij haar, terwijl ze, de specialiteit van het huis koopt. Verse, pas gebakken, Brusselse wafels, met warme kersen en slagroom.
 
 
Haar handen vol met tassen, gevuld met kinderspeelgoed, en haar jas. Die ze, waarschijnlijk vanwege de warmte binnen, heeft uitgetrokken. Onhandig, neemt ze het schoteltje, met daarop de lekkernij aan. Nog onhandiger, probeert ze zich, met haar handen vol en door de menigte, naar een vrij tafeltje te manoeuvreren. Hierbij knoeit ze, een beetje van de slagroom en de warme kersen, op haar jas. Ze bloost en baalt overduidelijk. Eenmaal bij de tafel aangekomen, zet ze duidelijk opgelucht haar schoteltje op tafel. En als ze zich bevrijd heeft van al haar tassen en haar jas, valt ze gretig op de wafel aan.
 
Ze is alleen, maar niet eenzaam. Ze is geen opvallende schoonheid, maar straalt van binnenuit. Alsof ze een binnenpretje heeft, wat ze met niemand deelt. Gewoon een vrouw van eind dertig, die cadeaus aan het kopen is, voor de mensen van wie ze houdt. Waarschijnlijk stelt ze zich de blije gezichten voor, bij elke aankoop die ze doet. In gedachten bij haar man en kinderen. Het gezinsgeluk straalt van haar af. Met weemoed denkt hij terug aan de tijd dat hij samen met zijn vrouw speelgoed kocht voor zijn kinderen.
 
Terwijl ze eet, lopen de slagroom en de kersen over haar vingers. Met een lachend gezicht, likt ze haar vingers af. Dan vangt ze zijn blik, even kijkt ze betrapt, maar dan eet ze, al knoeiend verder. En geeft hem een dikke knipoog. Onwillekeurig, moet hij denken aan de woorden van zijn vader. Die nooit iets, van het heersende magere schoonheidsideaal, moest hebben. Zijn vader zei altijd, dat een vrouw, die zonder valse schaamte kon genieten van lekker eten. Kon genieten van het leven en seks. Hij knipoogt terug en richt zijn blik weer op zijn echtgenote. De vrouw van wie hij, al die jaren al, zoveel houdt.
 
Zij heeft nog steeds die ondeugende blik in haar ogen en die glimlach om haar mondhoeken. Zij kan nog steeds, net als al die jaren geleden, genieten van het leven.
 
Hij lacht en vraagt haar: “Zullen we, voordat we verder gaan met de Sinterklaas inkopen voor de kleinkinderen, nog een wafel met slagroom nemen.” Haar ogen twinkelen, de glimlach om haar mond wordt breder. En ze geeft hem een kus op zijn neus, terwijl ze zegt; “Dat lijkt mij een goed plan!”
 
 
Maankind
November 2011

Ogen als toverballen

Ogen als toverballen

Als ik aan hem denk, dan begin ik zomaar vanzelf te lachen. Ik ben nog net zo verliefd op hem, als negen jaar geleden. Onvoorstelbaar hoe je leven in zo’n tijd kan veranderen en hoe snel de tijd gaat. Zijn bruine ogen kunnen me nog steeds laten smelten. Al doe ik dappere pogingen omdat niet te laten blijken. Zijn lach is aanstekelijk en klinkt als muziek in mijn oren. Zijn asblonde haren, zijn een mooi contrast met zijn bruine ogen, die daardoor nog beter uitkomen. Geen vrouw om hem heen kan ze weerstaan. Gelukkig is hij zich daar niet echt bewust van, nog niet in ieder geval. Zijn wangen zijn altijd bijna altijd rood en lijken op appeltjes. Hoezeer ik vroeger die vergelijking ook haatte, nu snap ik hem wel. Hij is een dromer en een realist. Een fantast, die verbazingwekkend, praktisch kan zijn. Een clown, een komiek die zo vaak op eens, zo gevoelig en zo nadenkend kan zijn. Hij is tegelijkertijd een flapuit en een binnenvetter.
 

Met een brok in mijn keel denk ik terug aan zijn geboorte. Nu bijna negen jaar geleden. Hoe ik met een veel te zware en dikke buik naar het ziekenhuis vertrok. Hoe lang en hoe grauw en nat de dag was. Die ik voorbij zag glijden, vanuit de kamer waar we wachtte op de keizersnede. Aan het infuus wat maar niet wilde lukken, mijn arm met de zes prikken in een poging een ader te pakken te krijgen. Mijn beginnende weeën, die misschien geen naam mochten hebben, maar toch duidelijk aanwezig waren. Het geklungel van het ziekenhuispersoneel, die niet naar mij wilde luisteren en mij tot razernij dreven met hun neerbuigende toontje. Mijn waarschuwing dat als ze niet opschoten, ik wel zelf zou bevallen. En de daar opvolgende mededeling: “ Dat zal wel meevallen mevrouwtje”. Nooit, maar dan ook nooit, tegen een bevallende vrouw ingaan, dat is de duivel verzoeken. Want toen de gynaecoloog eindelijk in mijn buik sneed, was als het vruchtwater weg en hij al heel ver op weg naar de uitgang. Ik had gelijk gehad, natuurlijk had ik gelijk gehad, het was tenslotte mijn lichaam!

En toen die eerste ontmoeting, de vreemde gewaarwording dat ik hem eindelijk kon zien, vasthouden, ruiken, proeven en horen…. Jeetje wat maakte hij een kabaal. Het droge commentaar in de verloskamer was: “Nou die heeft fikse longen.”

Ik herinner me, nu met een glimlach, het eerste jaar. Gevuld met plezier en wanhoop. Het gevoel niet te weten wat ik moest doen en handen te kort te komen. Maar met dikke roze wolk bij het eerste lachje, het eerste fruithapje. Het eerste woordje, mama natuurlijk. De eerste stapjes, de eerste…. Zijn ogen die van donkerbaby blauw, naar grijs, naar groen, naar lichtbruin naar uiteindelijk donkerbruin veranderde. Een proces waar hij 2,5 jaar overdeed en iedereen in die tijd maar raden wat ze uiteindelijk zouden worden.

Ik kan me nog herinneren dat ik keek naar het babyspeelgoed, gevuld met ideeën voor zijn eerste verjaardag. Nu koop ik spullen voor een knul van negen.

En met een brok in mijn keel denk ik, nogmaals, wat gaat de tijd snel.

Maankind
November 2010

Ontmoeting op de driesprong

Ontmoeting op de driesprong

Ik reis, het eindpunt is bekend, maar hoe lang het nog duurt voordat ik het bereik niet. Voor mijn gevoel, ben ik nog niet eens halverwege. Een tijd geleden, heb ik de weg gekozen, die ik zou gaan. De route is zorgvuldig uitgestippeld en mijn gezond verstand is het kompas. De in nevelen gehulde zijwegen, heb ik links laten liggen.

Ik ben vol goede moed, want ik ben vol vertrouwen dat ik de juiste weg gekozen heb.
Dan op een nacht, terwijl de maan slaapt, stuit ik op haar. Een oude vrouw met haar roedel van honden. Ze staat op de splitsing van drie wegen.
Uit mijn mond, klinkt in plaats van een groet, een vloek. Ik dacht, dat ik haar voorlopig niet meer hoeven aanschouwen.Dat ik haar, en alle verwarring die zij met zich meebrengt, op de vorige splitsing, achter me had gelaten. Haar ogen staan niet boos, eerder zacht en vaag berustend. Mijn woede ebt weg, om plaats te maken voor wanhoop. Mijn rede en mijn gezond verstand laten mij in de steek en ik word overmannen door angst en emoties. De emoties , die ik met elke stap, had gedacht verder achter me te laten.Nijdig weg gebeend, op de weg, die mijn verstand had uitgestippeld. Met de belofte dat, als ik er maar niet afweek of achterom zou kijken,alles goed zou komen. Orde in de emotionele chaos zou er zijn en ik had erin geloofd.
Mijn stem beeft, als ik haar vraag:” Vrouwe ben ik terug bij af? “. Als ze stil blijft en ik zie dat ze haar blik naar binnenkeert. Voel ik de woede weer in me opvlammen. Antwoorden wil ik ! Of het nou is, omdat ze mijn boosheid voelt of omdat ze het antwoord heeft gevonden, ze reageert. Woordeloos, knikt ze ontkennend.
Gelukkig, ik ben niet terug bij af….
Maar waar ben ik dan wel?

Ik zak neer in het gras naast de weg. Graag zou ik aan haar vragen, welke weg ik moet kiezen. Maar ik weet dat het zinloos zou zijn. Ik ken haar antwoord immers al. Meisje, zou ze zeggen. Alle wegen zijn even goed. Terwijl de tranen, van verdriet en vermoeidheid, langs mijn wangen stromen. Gaat ze naast me zitten. In een liefdevol en moederlijk gebaar, legt ze mijn hoofd op haar schouder. Je hoeft nog niet te kiezen, fluistert ze. En terwijl een hond mijn tranen likt, val ik langzaam in slaap.
De volgende dag, word ik in eenzaamheid wakker, de driesprong is verlaten. Ver langend kijk ik naar de weg. Ik wil verder. Maar welke zal ik kiezen? De weg van mijn verstand lokt het meeste, haar ken ik en ik weet ten dele ,wat ze me brengen zal. De belofte van rust op korte termijn is aanlokkelijk en misschien, zal ik haar daarom wel kiezen. Maar ik vermoed, dat ik dan op den duur, weer op een driesprong zal staan. Omdat het, diep van binnen,voelt als uitstellen…
De weg ,die mijn hart kiest, is verraderlijk en vol valkuilen. Ze is mij afgeraden, door hen die mij kennen en liefhebben En ik wantrouw haar, omdat ze maar één zekerheid met zich meedraagt en dat is verandering. En of dat goed of slecht zal zijn, is nog maar de vraag.
Zal ik de moed hebben om alle raad en alle wijsheid naast me neer te leggen. De weg te volgen die mijn hart en mijn onderbewuste keizen. Of zal mijn hart, en mijn lichaam met haar, eeuwig gebonden zijn door angst?
Is het wijsheid die me weerhoudt of angst?
De laatste weg, leidt slecht snel naar het eindpunt. Haar zal ik niet nemen, ik geniet nog te veel van de reis.
Met de wetenschap, dat ik niet stil sta, besluit ik een herberg op te zoeken. Om me voor te bereiden op het vervolg van de reis.


Maankind
November 2010

 

Gemiste kans

Gemiste kans

Ik mis dat,
wat ik niet missen kan,
omdat ik het nooit had.

Ik mis het,
terwijl ik het,
niet missen wil.

Het eeuwige
verstand vs hart.

Maankind
November 2010

Volle Maan

Volle Maan

De maan is helder, ik ook.
Terwijl mijn geest de duisterste hoeken verlicht.
Schreeuwt mijn sterfelijk lichaam om slaap.
Lieve Moeder, behoed mij voor mijn lucide dromen

Maankind
Oktober 2010

Egelvrouw

Egelvrouw

Pijn scheurt mijn ziel.
Een waas trekt voor mijn ogen.
De smaak van gal komt omhoog.

Ik rol mij op tot een bal.
Mijn kwetsbare deel verborgen.
Al wat rest zijn mijn stekels.
Die boos staren, naar de buitenwereld

En pas, als de pijn of de dreiging, geweken is.
Ontspan ik langzaam.
Geef ik mezelf, stukje bij beetje, weer bloot.

Maankind
Augustus 2010

Zomaar, zomerse, kilte.

Zomaar, zomerse, kilte.

Het is zomer, het is warm. Het eeuwige zomerliedje, over een verloren liefde, Brandend Zand, schalt over het strand. De hitte van de zon heeft het strandzand opgewarmd. Ik ga erop liggen, in de hoop, dat de warmte, de kilte kan verdrijven, maar dat gebeurt niet. Ik blijf koud van binnen en vraag me af of jij het ook koud hebt.

Een stukje verderop ga jij liggen, je ogen dicht, net als ik. We zwijgen, de lucht is dik van alles, wat we zouden moeten zeggen. Maar we doen het niet. Alles is zo’n beetje wel gezegd. De tranen zijn vergoten, met woorden is gegooid. Het wijnglas, dat jouw hoofd net niet raakte, achterna.

Als ik mijn armen uitspreid, raak ik je net niet. Zo dichtbij en toch zo ver weg. Als je jouw armen uitstrekt zouden we elkaar net kunnen aanraken. Je vingertoppen zouden de mijne aanraken en ik zou weten dat alles, ongeacht hoe het er nu voor staat, goed kwam. Maar je doet het niet, je kan het niet. Je gedachten en gevoelens zijn verdwaald in het doolhof in je hoofd.

Nooit echtgenoten, nooit echt genoten, nooit genoten van het vechten. Al was dat alles, wat er voor ons, overbleef.

Verlangend, kijk ik naar jou schouder, daar waar ik zo graag mijn hoofd zou leggen. Maar het is niet mijn plaats en dat zal het nooit zijn.

Ik zou kunnen opschuiven, ik wil dichterbij je zijn, jou mijn hand reiken, maar mijn lichaam beweegt niet. Mijn gevoelens en gedachten zijn verdwaald in het labyrint van mijn geest, vol met spoken van verlangens, plichtsbesef en trots.

Bewegingsloos, ligt er maar één vraag op mijn lippen: “Lief, heb je het koud?”.

Maankind
September 2010

Herfstkinderen

Herfstkinderen

Voor mijn zoon, geschreven in de hoop, dat hij zich later, de magie zal kunnen herinneren.

De zomer is voorbij, mijn zoon en ik lopen door de warm gekleurde bladeren in het gras, ze knisperen onder onze voeten. We schoppen ze al rennend omhoog en lachen.

De zomer is voorbij, wij verruilen onze jurkjes van gekleurde bloemblaadjes, voor die van de warm wollen spinrag, zacht groen mos en gekleurde bladeren.

Het is koud, onze adem maakt wolkjes in de lucht. De zon staat aan de hemel, de lucht is strak blauw. Het bos heeft die typische geur van de herfst. Samen staren we naar de kruinen van de bomen en genieten we van de kleurpracht, daar aan de hemel.

Wij moeten aan het werk, de kastanjes en beukennootjes moeten worden gepoetst. Onze penseeltjes kleuren de bladeren geel, oranje, rood en bruin. De wind blaast ze van de bomen, ze vormen een tapijt. Waarop wij vanavond, samen met onze koning en koningin, zullen dansen.

Moeder en kind, zo gelijk en toch zo verschillend. Hij is een man van de aarde, een rechtgeaarde zoon van de groene god. Ik, zijn moeder, ben de dochter van de zee. Waar ik ook ga, haar draag ik in mijn hart altijd mee. Maar mijn wortels liggen hier in het bos. De plek waar ik speelde, minnekoosde en rouwde. Ik heb nooit geweten hoezeer ik het bos lief had. Totdat ik opgesloten was, in een bijenkorf van beton.

Wij zijn de kinderen van moeder aarde en Pan. Niet goed, maar ook niet slecht van aard, wij zijn slechts. Onderdeel van de natuur, maar ook haar hoeders en verzorgers. En met dank aan onze vader hooguit speels en ondeugend van aard. Wij zijn oud van geest, maar jong van hart. Wij hebben de wijsheid in pacht, dus wij genieten en spelen als kinderen. Elfjes heten wij hier, fairies, pixies en sprites daar waar zij onze natuur beter kennen.

Ik hou van de open vlakte, waar rust en ruimte is, de heide. Die hier aan het bos grenst. Het is bos is te vol van leven, te veel stemmen in mijn hoofd, en toch ben ik van haar gaan houden. Boom voor boom, tak voor tak, blad voor blad. De lievelingsboom van mijn zoon is de eik, die van mij de beuk. Er staat er eentje in het midden van het bos. Ik streel haar bast en zij vertelt mij haar verhalen. Ze is de oudste boom in het bos, haar verhalen gaan eeuwen terug, maar er zijn ook verhalen van mij. Van hoe ik hier speelde als klein meisje en met mijn moeder en oma hier wandelde. Van de dag dat ik trouwde en bij haar dikke stam trouwfoto’s liet maken. Van hoe ik na het sterven van mijn oma, ik alleen hier mijn tranen de vrije loop kon laten. Getroost door al het leven om me heen, onderdeel van de eeuwige kringloog. Omarmd door de rust, die zij mij gaf.

Wij zingen liederen van dood en leven en luisteren naar de verhalen die stervelijken ons vertellen. Soms denken wij, dat zij ons ook kunnen horen. Alles vertelt tenslotte een verhaal als je maar luistert.

Samen zoeken we naar de eekhoorntjes in de bomen, zijn wij stil voor het geluid van de specht. Mijn zoon kijkt bij de paddestoelen en elvenbankjes in hoop een glim op te vangen van dat wat voor de meeste mensen verborgen blijft. Ik heb het gevoel dat duizenden ogen mij bekijken, maar mijn nuchtere grote-mensen-verstand verteld mij dat elfjes en kabouters niet bestaan.

Wij horen het kind met zijn moeder aankomen en verbergen ons. Zij kunnen ons niet zien, maar wij hun wel. Hij nog vol van geloof in de magie van de natuur. En zij…. Zij kijkt stiekem mee op het elvenbankje en onder de paddestoel. Lacht als haar kind teleurgesteld zegt ons niet te kunnen zien, maar wij…ja wij zien de hoop in haar ogen.

Maankind
September 2010

Leuk

Leuk

Laatst, laat op de avond. Stond ik bij een nuchtere, maar op dat moment niet zo nuchtere, vriend. Mijn beklag te doen. Over het feit dat een oude liefde me mooi genoemd had. Maar dat, dat mij niet zoveel zei. Begrijp me goed. Mooi is een leuk compliment maar eigenlijk zo niets zeggend. Ik bedoel, als je elkaar meer dan twintig jaar kent. Zou er meer te zeggen moeten zijn. Toch?
Nou zijn de meeste van de mensen die mij dierbaar zijn eerlijk, doodeerlijk om precies te zijn. Vaak zie ik dit als voordeel. Maar elk voordeel heeft zijn nadeel en dit moment was er zo’n typisch voorbeeld van.

Hij keek naar me en zei: “je bent niet mooi”. Ondanks het feit, dat ik dit zelf al lang geleden heb vastgesteld. Deed mijn ego toch heel hard “krak!”. Gelukkig, voor wat er over was van mijn ego. Vervolgde hij zijn zin met; “je bent leuk”. Het was maar goed dat het donker was. Want ik straalde.

Op 22 september 1994 werd ik op de fiets aangereden door een vrachtwagen. Hoewel ik voor de buiten wereld mazzel had dat de uiterlijke schade beperkt bleef. Verloor ik toen. De door mij zo zorgvuldig uitgestippelde toekomst. Ik verloor in een jaar tijd bijna alles wat me lief was en waar ik hard voor gevochten had. Mijn studie moest ik beëindigen. Mijn opa overleed zonder dat ik afscheid van hem kon nemen. Mijn drie jaar durende verkering ging uit. Mijn kat verdween en door alle lichamelijke en geestelijke problemen raakte ik in de schulden. Knap waardeloos allemaal…

Maar dit nadeel had een voordeel. Daar waar ik tot dat moment met oogkleppen op had geleefd. Werd ik nu wakker geschud en aangezet tot nadenken. Tot bewust leven. Eén van de dingen die ik tot dat moment het belangrijkste had gevonden was mooi en succesvol zijn. In de ogen van de buitenwereld. Schoonheid is macht en ik wilde een fatale vrouw zijn. De machteloze, wilde macht hebben.

Het ongeluk deed mij nadenken over leven en dood. Over hoe ik herinnerd wilde worden. Wat wilde ik op mijn grafsteen hebben staan; "Ze was mooi of ze was leuk". Op dat moment besloot ik meer plezier te hebben in mijn leven en te proberen goed gezelschap te zijn.

Mooi zijn zegt alleen wat over de buitenkant en die gaat er mettertijd toch wel aan.

Maankind
September 2010

Een eiland in de tijd

Een eiland in de tijd

“Eens heel lang geleden.
In een land hier heel ver vandaan.
Het ligt verscholen in het heden
Aan de rand van het bestaan.”

Zaterdagavond, het kampvuur brandt, de mede gaat rond. Ik kijk naar het gezelschap om me heen en lach. Vannacht was het koud, overdag was het nat en morgen gaat nog natter worden. Waarom ben ik hier, terwijl ik thuis warm en behagelijk op de bank, lui zappend achter de tv kan zitten.

Mijn ogen gaan liefdevol over het gezelschap. We zijn niet mooi, we zijn niet rijk en lopen uit de pas. Misfits zijn we, bewust, want de veruit de meeste, proberen het niet eens meer om in de maatschappij te passen. Het leven is zo veel simpeler hier, rustiger ook. Een man, een man, een woord, een woord. Als het niemand schaadt, doe wat je wil.

Bruised and battered, zijn we ook bijna zonder uitzondering, allemaal. Vechters, met of zonder wapens. Schoonheid is hier niet iets wat je ziet met je ogen, maar wat je voelt diep van binnen. De man naast me, kijkt eerst naar bij zichzelf naar binnen en dan naar de anderen, onder de sterrenhemel buiten. En zegt: “deze mensen zijn echt, hier ben ik echt”. Ik lach, geef hem een knuffel en zeg intens gelukkig: “ Ja, hier zijn we echt.”

Maankind
September 2010

De Danseres

De Danseres

Ik dans omdat,
mijn voeten het ritme
van mijn hart volgen

Ik dans omdat,
mijn mond
de gevoelens in mijn hart
niet in woorden
kan vertalen.

Ik dans omdat,
ik niet lopen kan,
het is hollen of stilstaan,
dansen of doodgaan…

In mijn dans verlies ik
mijn boosheid, mijn wanhoop
Mijn pijn en verdriet
Het verwoord mijn zijn

Het geeft mijn liefde
voor het leven
vleugels

Ik dans dus ik besta

Maankind
Juli 2008

Heer Konijn

Heer Konijn

Ik lig plat op mijn buik in het gras van mijn boek en het zonnetje te genieten. Eigenlijk is het een tikkie te fris om zo buiten te liggen. De zilte wind is koel hier aan zee, maar hier zo vlak achter de rieten afscheiding lig ik uit de wind en in de zon. Ik ben een vluchteling, binnen in het overdekte zwembad is het warm, lawaaiig en druk.

Zwemmen mag ik niet, ik ben het aan mijn voet geopereerd, dus verkoeling zit er ook al niet in. Lezen lukte binnen met al die herrie niet. Dus zwaai ik naar man en kind die zich prima vermaken en vlucht als enige naar buiten. RUST. Even doe ik mijn ogen dicht en geniet van het alleen zijn. In bikini in de zon, de zon die mijn blote huid streelt. Opeens voel ik ogen branden.

Aangezien ik niemand na mij het grasveld op heb horen komen, vraag ik me af of ik iemand over het hoofd heb gezien toen ik ging liggen. Ik doe mijn ogen open en hef mijn hoofd op en kijk recht in een paar prachtige, zachte, bruine ogen. De ogen van een oud konijn staren mij met beleefde interesse maar ook met argwaan aan.

Het beest is overduidelijk oud en ziek. En de allesoverheersende mens in mij ontwaakt. Ik moet hem vangen en helpen. Beter maken of genadig in laten slapen, gewoon omdat ik dat kan. Ik, mens, moet ingrijpen want dat is mijn aard, dat is mijn natuur. Ik meen een vlaag van teleurstelling in het konijn zijn ogen te zien. Opeens word ik overvallen door beelden vanuit konijnenoogpunt. Ik ren met de andere konijnen over een onmetelijk groot grasveld, de zon op mijn vacht, de wind door mijn haren.

Schaamrood kleurt mijn kaken. Ik snap het. Het is zo simpel. Vergeef mijn menselijke natuur. Jij gaat liever dood in vrijheid, dan dat je leeft in de kooi die ik je kan bieden met de stank van de mens aan je vacht. Je konijnenleven komt ten einde. Jij weet het en berust, geniet in alle waardigheid van jouw laatste dagen.

In ons appartementje staat een hok met daarin een klein, eigenwijs, monster. Lief, klein, wit en rond. Uiterlijk gezien het toppunt van schattigheid. Geen duf verveeld binnenkooi konijn, maar een konijn met attitude. Ik zou zeggen met ballen, maar het is een meisje dus ergens klopt zo’n opmerking dan weer niet. We hebben haar mee moeten nemen, want ondanks haar schattigheid hebben we niemand kunnen vinden die haar te eten wil geven. Haar bijnaam binnen ons gezin is The Giant Killer Bunny en die gebruiken we maar, half, grappend. Ik ben namelijk de enige die deze dame zonder gevaar voor eigen leven eten kan geven. Naar ieder ander wordt, geknord, geslagen en gebeten. Het vergelijken van dit fluffy huisdier met de waardige oude heer die voor me ligt is als vergelijken van als appels en peren. Ondoenlijk en het slaat nergens op.

Je blik wordt zachter. Ik knik zachtjes en blijf liggen. Je verdwijnt in het struikgewas, een jong vrouwtjeskonijn, komt er vlak daarna, met haar jongen uit. Ze kijkt naar me, schijnbaar zonder angst. Ik heb het alles overheersende gevoel dat ik, als mens, ben goed gekeurd. Geen geringe eer. De drie jongen ravotten in het zonnetje en halen konijnenkwaad uit, terwijl moeders ze in de gaten houdt vanuit een struikje dichtbij.

En ik? Ik lig stil op mijn buik en geniet. Ik heb het gevoel dat ik zo juist voor een examen geslaagd ben.
Dank je wel voor de les, Heer konijn.

Maankind
September 2008

Universum

Universum
 
Even reikt mijn wereld niet verder, als dat waar mijn handen mee bezig zijn.
Ik moet zo veel, ik voel zo veel, ik ben de weg kwijt en zoek houvast.
Dit in mijn handen is tastbaar, ik vorm het, ik creëer het.
Ik ben schepster, meesteres van dit heelal.
Mijn geest vernauwt zich en sluit alle overbodige prikkels buiten.
Ik adem, denk en leef dat wat ik maak.
Mijn wereld, mijn schepping.
 
Dat wat ik maak, vormt straks mij.
Schept mijn beeld in de ogen van anderen
Maar ook mijn zelfbeeld.
 
Ik draag, dus ik ben?
 
Kleding als uiting van wat er van binnen leeft?
Of van wie ik wil zijn?
 
Mijn korset als wapen der verleiding
of als pantser
of misschien slechts als middel
om een illusie te vervolmaken.
 
Ik ben wat ik draag
en ik draag wat ik ben.
De perfecte symbiose
 
Ik creëer dus ik besta.
 
Maankind
Juli 2009

Het Oog van de Storm

Het Oog van de Storm
 
Een storm
van gevoelens
woedt in mijn hoofd
 
Stilte
door de onmacht
het niet te kunnen uiten
 
Verlangen
naar tranen
 
Barsten in mijn muur
van zelfbeheersing
 
Druppels
van pijn
woede
en
verdriet
 
Zoekend naar de rust
in het oog van de storm.
 
Ik ben,
de storm,
zo moe.
 
Maankind
December 2008

Het Pad van de Merel

Het Pad van de Merel
 
De lucht is vol belofte van de lente. Takjes kraken onder mijn voeten. Naast het pad zit een merel. Ik verwonder mij over haar schoonheid en zoek haar ogen. Zoek haar ziel. Probeer haar te volgen, als zij wegvliegt, met een takje, in haar snavel. Ik lach haar toe en geniet van de zonnestralen op mijn huid, een gevoel van tijdloosheid, van vrijheid overvalt me.
 
Alleen met mijn gedachten, alleen met mijn dromen.
 
Er ligt een grote berg takken over een grote kuil. Ik klim eroverheen en droom dat ik alleen ben op een eiland. Dat ik in mijn eentje moet overleven. Ik geniet van het feit dat ik niet meer bang ben om te klimmen. Ik voel me stoer en ik waan me een avonturier.
 
In mijn dromen ben ik Ivanhoe, nooit één van de prinsessen, hoe mooi ik die jurken ook vind.
In mijn dromen ben ik Robin Hood of, als het niet anders kan, een hele stoere Maid Marion.
Eigenlijk onveranderlijk, ben ik in mijn dromen alleen. Alleen maar nooit eenzaam. De geluiden van de gewone wereld dringen hier niet, of nauwelijks, tot me door.
 
Mijn buurjongens zijn oorlogje aan het spelen, het pauw, pauw, pauw is niet van de lucht. Vol afschuw vraag ik me af, wat daar nou leuk aan is. Oorlog en doodgaan. Ik ben een ridder en vecht alleen met de draak als het moet.Ik ben Robin Hood, ik vecht alleen om te overleven of om een ander te helpen.
 
Een merel vliegt voorbij, ze vangt mijn blik en ik volg haar. Ik geniet van haar gezang, van de manier waarop het zonlicht de bladeren raakt, van mijn vrijheid, van de rust. Geen mensen om me heen, geen stemmen, geen meningen, geen oordelen, geen eisen.
 
Alleen ik, het bos, de dieren, mijn gedachten en mijn dromen.
 
Vandaag hoorde ik aan het einde van de dag een merel zingen.
Ze roept me, ze lokt me.
Ik besluit dat ik morgen weer haar pad zal volgen.
Net als vroeger.
 
Maankind
Maart 2009

Het tweede gezicht

Het tweede gezicht
 
Een frisse avond aan het begin van de lente. Twee vrouwen praten totdat ze het kampvuur voor zich alleen hebben. Alle andere vuren op het terrein zijn gedoofd, iedereen is naar bed. Ze praten over dingen waarover ze normaal niet praten, misschien is het de avond, het is beltane. De nacht dat vele remmingen wegvallen. De godin is dichtbij.
 
Ze beïnvloedt ook de woorden van haar dienaressen, die spreken over dingen waarvan ze normaal liever zwijgen. Beiden dames zijn nuchter en aards en toch... Magische woorden hangen als sterren in de lucht maar laten zich door deze vrouwenhanden gewillig vangen. Voor één avond zijn ze zusters, delen ze verdriet en pijn, maar ook liefde.
 
Voor elkaar en de wereld die ze delen, een wereld niet aan een ieder toebehorend. Alleen zij die het kind in hun hart hebben en geloven in magie kunnen het vinden. Een enclave in het hart van de stad, maar nooit was de werkelijkheid verder weg. Voorzichtig bewandelen hun woorden het pad. De kant die ze nu tonen, is kwetsbaar en tegelijkertijd heel sterk. Verbaasd kijken ze naar elkaars gezicht, wat in het maanlicht en onder de invloed van hun woorden, veranderd.
 
De één haar trekken verzachten, ze lijkt jonger te worden, de pijn in haar ziel weggewassen door het maanlicht. De ander haar ogen en mond vallen weg, worden groten zwarte gaten, haar neus lijkt breder te worden. Als haar vriendin haar beschrijft krijgt ze kippenvel, het is niet de eerste keer dat ze deze beschrijving hoort. Ze voelt zich naakt, kwetsbaar en verward. Bang voor wat ze is. Als haar tweede gezicht een doodshoofd is, is zij in essentie dan slecht? Haar vriendin grijpt haar hand en verteld dat ze het gezicht van één van de ouden draagt.
 
Het verraad slechts de leeftijd van haar ziel.
 
Maankind
Mei 2009

Damn, those those eyes!

Damn, those those eyes!
 
Twee groengrijze ogen kijken me vanaf de andere kant van het lokaal uitdagend aan. Een dito grijns om je mond. In opperste verwarring, staar ik zogenaamd geconcentreerd, naar de wiskundeopgave, op mijn papier. Een mij nog onbekende hitte en kriebel, verspreidt zich vanuit mijn buik, naar boven. Mijn gezicht en hals voelen alsof ze tomaatrood kleuren. In mijn hoofd heerst paniek. Ik ben je nog nooit eerder opgevallen. Tot nu toe was ik tevreden met je leuk vinden op afstand, zonder hoop op meer. Eén van de vele verliefde bakvissen, in een, met hormonen gevuld, klaslokaal.
 
Jij bent één van de populaire jongens in de klas. Ik ben één van de, duizend in één dozijn, grijze muizen. Dus ik snap geen hout van deze, in mijn ogen toch, redelijk openlijk aanval. Je doet me denken aan een panter, die zijn klauwen aan het scherpen is. Als voorbereiding op de aanval. Ik ben slechts oefenmateriaal, slechts target practice.
 
Vreemd genoeg, stelt dit idee me gerust. Ik besluit je blik te beantwoorden. Gelijk oefen ik, onwennig, mijn "uitdagende" glimlach. Je kijkt tevreden naar mijn reactie. Terwijl onze ogen elkaar kruisen. Verken ik voorzichtig een stukje van je geest.
Je bent één van de rustigere jongens in de klas. Je schijnt het niet nodig te vinden om aandacht te trekken. Juist daarom vind ik, en wel meer mensen met mij, je "cool". Het staren en terug staren is een leuk spelletje. Het gaat erom, net als bij een kat, wie het eerst zijn ogen neerslaat. In het begin win jij, maar later win ik ook regelmatig. Wiskundeles wordt leuk, al snap ik er nog minder van. Nu ik met mijn gedachten niet meer bij de les ben.
 
Achter jouw koele en rustige ogen, voel ik iets broeien. De rust is maar schijn. Ik ontdek een vurig temperament en een scherp, zwart en rafelig randje in je geest. Ondanks dat ik mezelf voorhoud, dat wat we doen mentaal armpje drukken is. Kijk ik wel steeds meer uit, naar deze lessen, met jou tegenover me. Op een dag, tijdens het “armpje drukken”, slaat het besef als een bliksemflits in. Ik ben verliefd op je, en die dag verlies ik dan ook.
 
Er zouden na jou nog vele verliefdheden volgen. Maar jij bent degene die mij mijn ogen, tijdens het flirten, heeft leren gebruiken. Alleen daarom al zal ik je nooit vergeten. Dat en die ogen van je…
 
Damn, those eyes!
 
Maankind
Juni 2010

Het Manuscript in bloed

Het Manuscript in bloed
 
(een oud verhaal in een nieuw jasje)
 
Prachtige verhalen had ze geschreven, woorden gevuld met liefde en zinnen vol wijsheid had ze aan elkaar geregen. Op elk verhaal wat er uit haar pen vloeide was ze trots geweest. Er waren enkele liefhebbers van haar verhalen geweest, maar slechts weinigen hadden het begrepen en gewaardeerd. De verkoop van haar boek bleef uit. Uitgevers wilden haar niet meer uitgeven en haar trots op haar schrijfkunst was stukje bij beetje verdwenen net als haar zelfvertrouwen.
 
Een writersblock kon niet uitblijven, de verhalen fladderde nog wel als vanouds door haar hoofd, maar de lust om ze te vangen op papier was verdwenen. Met doffe ogen staarde ze uit het raam, een schim van haarzelf, haar levenskracht gedoofd. Een knappe man belt aan. Hij wekt door zijn uitstraling vertrouwen, het voelt alsof ze hem haar hele leven al kent. Hij is uitgever zegt hij en heeft interesse in haar verhalen. Althans in de verhalen die ze nog zal schrijven, hij zal haar writersblock opheffen en inruil daarvoor zal ze schrijven.
 
Ze bloeit op bij het idee weer inspiratie te hebben, haar woorden weer vleugels te geven, zodat ze gelezen kunnen worden door de hele wereld. Hij vraagt haar één gunst, later nader te bepalen voor het opheffen van haar writersblock. Ze gaat akkoord en hoopt dat hij haar mee uit eten zal vragen.
 
De knappe man vertrekt, hij laat kruiden achter waarvan ze thee moet maken en een prachtige oude vulpen. Na het drinken van deze thee zal ze weer willen schrijven, hij laat haar beloven dat ze zijn pen zal gebruiken.
 
Ze drinkt en voelt de inspiratie door haar aderen razen, kokend heet. Ze pakt de pen en schrijft met rode inkt. Zweet parelt op haar gezicht, haar spieren gespannen, haar huid voelt alsof het duizenden kleine wondjes krijgt, maar stoppen met schrijven kan ze niet. Ze schrijft en schrijft, bladeren en bladeren vol. Ze schrijft zo snel dat haar hoofd niet de tijd krijgt om de woorden die ze schrijft te verwerken. Ze weet zelf niet wat ze schrijft.
 
Koortsachtig gaat ze door, het besef van tijd verdwijnt. Behoefte aan eten of drinken heeft ze niet. Ze schrijft zonder te stoppen, zonder de rode vulling aan te hoeven vullen.
 
Als ze eindelijk klaar is gaat ze lezen en het lezen doet haar pijn. Elke duister hoekje uit haar verleden is belicht, elke pijnlijke ervaring beschreven. Ze is niet trots op wat ze geschreven heeft, het bevat geen licht, geen liefde, geen wijsheid, slechts pijn. Ze huilt en wil het manuscript verbranden, maar kan het niet. Het zal verkopen dat weet ze zeker en haar de erkenning geven die ze zo begeert.
 
Opeens staat hij daar voor haar, iets kleins, iets wat niet te vangen is aan zijn uiterlijk is veranderd. De vriendelijkheid in zijn uitstraling is weg, haar alarmbellen rinkelen, maar ze voelt zich te leeg en te moe op er naar te luisteren.
 
Hij neemt haar manuscript en lacht. Ze heeft geen schuld meer bij hem, zegt hij en ergens verontrust dat haar.
 
Niet veel later wordt haar boek uitgegeven, nog steeds is ze niet trots op haar werk, op haar boek. Het heeft haar bloed, zweet en tranen gekost. Het boek verkoopt goed, ze wordt een gevierd schrijfster. Iedereen bejubelt haar, maar voor haar is dat boek zwart. Elke lovende kritiek doet haar even goed, verlost haar slechts één moment van de pijn, om vervolgens het erger terug te laten keren, het werkt verslavend.
 
Van elk blad van haar boek dat wordt omgeslagen hoort zij het geritsel, het geluid achtervolgt haar in haar dromen en houd haar s'nachts wakker. Elk woord dat wordt gelezen doet haar pijn. Lichamelijk pijn, haar lichaam is bedekt met duizenden kleine open wonden, woordenwonden die niet willen genezen, maar blijven bloeden. Ze zullen blijven bloeden zolang haar boek wordt gelezen.
 
En ze zullen gelezen blijven worden. Het grootste gedeelte van de mensheid, wil geen schoonheid, liefde of licht maar pijn.
 
Hij komt en legt schrijfpapier op haar tafel en geeft haar de pen, de zwartheid van zijn ziel is nu lichamelijk zichtbaar. Als verdoofd pakt ze de pen en begint te schrijven en legt opnieuw de donkerste diepten van haar ziel bloot.
 
Ze heeft geen keuze, al dwingt hij haar niet, ze is verslaafd geraakt aan gelezen worden, aan de roem, het geld en vooral even het idee dat ze goed is, er als schrijfster, als mens mag zijn.
 
Het is tijd voor het volgende manuscript van bloed, telkens opnieuw zal zij schrijven en dit zal doorgaan totdat de leegte haar vindt.
 
Maankind
Februari 2009

Maskerade

Maskerade
 
Nippend, van de zinnenprikkelende champagne. Stond ze gekleed in "a little black dress" verdekt opgesteld in een hoek. Ze had het niet op grote feesten en meed ze meestal als de pest, maar hier achter haar masker voelde ze zich veilig. Zelfs, ondanks haar, normaal nogal alledaagse uiterlijk, een beetje opwindend en uitdagend. Dronken van de mogelijkheden van de anonimiteit. Ze had geflirtend met veel verschillende mannen, behalve met die ene die echt haar interesse genoot. Genietend van de vrijheid die haar masker en het afdoen van haar trouwring haar bood.
 
De reden van haar komst was voor haarzelf overduidelijk, al zou ze het nooit uitspreken of aan iemand toegeven. Hij was er en ze wilde zo graag dichtbij hem zijn. Dichtbij, zonder het risico op nieuwe pijn, nieuwe ruzies en nieuwe problemen. Hij was alles voor haar, nog altijd. Haar zon, maan en sterren. Hoe gênant, geëmancipeerd als ze was, ze het ook vond.
 
Gewoon hem zien zou voldoende zijn, zich even in zijn nabijheid weten. Althans dat had ze zichzelf voorgehouden, toen ze besloot te gaan. Ze was nu tenslotte volwassen, getrouwd en moeder van twee kinderen. Hij vertegenwoordigde alleen maar een, zorgvuldig gekoesterd, verleden. Maar nu stond ze, als de verliefde puber die ze ooit was, vanachter haar masker naar hem te gluren. Ze dronk elk detail van hem, printte het in haar geheugen om het later weer naar boven te kunnen halen. Het was al zo lang geleden dat ze zo dichtbij hem was geweest. Haar lichaam deed pijn van het verlangen naar hem, maar haar voeten weigerde dienst, omdat haar verstand het hun verbood. Dus ze stond, en keek.
 
Haar ogen streelden zijn, o zo bekende, profiel. Haar handen branden om hem aan te raken, om na al die tijd eindelijk eens te bekennen, wat haar mond nooit over haar lippen had kunnen krijgen. Maar weer was het haar verstand wat haar weerhield.
 
Haar ogen gaan naar de klok, nog een paar minuten voor twaalf, nog even en de maskers gaan af. Ze moet weg en snel. Op weg naar de uitgang stopt ze opeens en draait zich om. Met semi-nonchelante passen loopt ze recht op hem af. "Gelukkig Nieuwjaar!", zegt ze en kust hem vol op de mond, om vervolgens bang maar hard lachend naar buiten te rennen.
 
Maskers doen rare dingen met mensen...
 
Maankind
December 2008

Rattengif

Rattengif
 
“Rattengif” mompelt ze, terwijl ze zichzelf in de spiegel van haar kaptafel bekijkt. Ze is niet ontevreden over het beeld wat de spiegel haar schenkt. Ze ziet een volwassen, zelfstandige vrouw met een duivels gevoel voor humor. Die met wat kunstgrepen, nog de illusie van jeugdigheid, weet te weven. Tot zover niets te klagen.
 
“Wat is er toch mis me mij?” vraagt ze haar spiegelbeeld, die er aanzienlijk zelfverzekerder uitziet dan zij zich voelt. Ze wordt gek van zichzelf en de puinzooi die voor haar liefdesleven moet door gaan. Haar slechte smaak als het om mannen gaat is binnen haar vriendenkring ondertussen spreekwoordelijk. “Zet mij met 99 goede en 1 foute man in een kamer en ik val voor die ene verkeerde. Altijd.” Verzucht ze, terwijl ze, zonder echt te kijken, een oorbel in doet.
 
Niet alleen heeft ze de voorkeur voor foute mannen in het algemeen, maar ook nog eens voor eentje in het bijzonder. Daar waar een ezel zich over het algemeen geen 2 keer stoot aan dezelfde steen, wilde zij ondertussen niet weten aan de hoeveelste keer zij zat. Ze was het zat, en tot haar grote schaamte, haar vriendinnen ook. Dus had ze met een hun een code woord afgesproken als ze dreigde zich weer te verliezen aan die ene o zo foute, maar lekkere, man. Ook het noemen van zijn naam of het zelfs maar naar hem verwijzen was haar verboden. De keuze voor het code woord was, niet geheel toevallig rattengif, geworden.
“Willen jullie mij eraan herinneren. Als ik weer voor hem dreig te vallen. Dat rattengif innemen, leuker, sneller en minder pijnlijk is…” Haar vriendinnen hadden hard gelachen bij deze mededeling. Zij zelf niet, ze was dodelijk serieus geweest.
 
Vanavond had ze weer zijn ogen gezien, het was weer vergezeld gegaan met het vertrouwde gevoel van haar brein wat weigerde te werken en haar hart wat in haar maag zonk. Haar vriendin had zachtjes “rattengif!” in haar oor gefluisterd en de alarmbellen in haar lichaam waren gelijk af gegaan. Nu stond ze voor de spiegel in haar met kaarsen verlichte slaapkamer. De wierook vult de kamer met een bitterzoete geur. In haar hand houdt ze een busje met korreltjes, het verhuist besluiteloos van de een naar de andere hand.
 
Ze lacht naar de dame in de spiegel alsof deze haar een goed idee aan de hand gedaan heeft en zegt: “Je hebt gelijk hij is het niet waard, geen enkele man is het waard.” Voorzichtig stopt een paar korreltjes in een bonbon, zijn lievelingsbonbons, en doet dit met alle bonbons in het hartvormige doosjes. Ze stuurt het doosje op met daarbij een kaartje waarop staat:” Voor alles wat we gedeeld hebben. Voor eeuwig de jouwe. Tot de dood ons scheidt.”
 
Maankind
Maart 2010

Verweven

Verweven
 
Geweven door de dag
Loopt daar de gedachte aan jou
 
Je bent niet de stof,
Waarvan mijn dagelijks leven gemaakt is
Slechts 1 enkele draad
Die nooit opraakt
Of breekt
 
Voor eeuwig onderdeel
Van mijn hoofdmotief
Als een repeterende fout
Een blauwe draad
Tussen het rood.
 
Maankind
April 2010
 

Nachtzuster

Nachtzuster
 
In de kilte van de avond
Reikt ze mij haar warme hand
Luistert naar wat ik heb te zeggen
Oordeelt niet
Met hart of verstand
 
Meestal is zij als een spiegel
Vertelt mij dat ik het allang weet
Herhaalt heel geduldig
Zodat ik het niet weer vergeet
 
Wat is een vrouw zonder haar zuster
Bij jou voel ik me geborgen
Weer even klein
Zodat ik de volgende dag
Weer sterk en stralend kan zijn
 
In het duister van de avond
Is er licht en klinkt gelach
Want jij helpt mij eraan herinneren
Dat ik ook in donkere tijden
Gewoon lachen mag.
 
Maankind
Januari 2010

Het kistje van Pandora

Het kistje van Pandora
 
Ken je het verhaal, van het kistje van Pandora, vraagt ze. Ik knik gretig van ja. Zo jong als ik ben, heb ik toch al vele mythes en legenden gelezen, of eigenlijk verslonden. De kinderboeken in de bibliotheek konden me niet meer boeien. Ik verruilde ze, voor de wereld van oude verhalen en de magie. Ik herinner me het gezicht, van de verzuurde bibliothecaresse, toen ik voor het eerst met zo'n soort boek voor haar neus stond. Ben je daar niet veel te jong voor, vroeg ze bijna berispend. Verlegen haalde ik mijn schouders op en klemde het boek steviger, met beiden armen vast. Ze herkende, een geest dorstig naar kennis, verslaafd aan het lezen. Of misschien herkende ze, de vlucht uit de werkelijkheid. Later, werd ze één van mijn beste vriendinnen, een lezende bondgenoot. Die de beste boeken, alvast stiekem, voor mij opzij legde.
 
De oude dame voor me lacht, haar lach parelt en ze zegt: "Goed zo, kleintje". Gefascineerd, kijk ik naar hoe haar oude knokige vingers, de breinaalden vasthouden. Ledigheid is des Duivels oorkussen vindt ze en zodoende zijn haar handen altijd bezig met dingen, die ik als magie ervaar. Lange draden veranderen in haar handen, in sokken, sjaals, mutsen en truien. Waarmee, ze haar hele familie , kleedt. Haar gezicht is verweerd, gerimpeld en nu, na al die jaren zonder haar, zou ik het nog zo kunnen uittekenen.
 
Het geluid van haar stem en het tikken van de pennen, brengt mij op plaatsen in mijn geest, waar ik nog nooit ben geweest. Met mijn elf jaren, ben ik mij heel erg bewust van mijn ontluikende vrouwelijkheid. Dat ik anders ben, weet ik al mijn hele leven, maar het heeft nooit heel erg van belang geleken. Nu mijn vrouwelijkheid ontwaakt, verandert dat ook. Zij is "the crone"en ik ben "the maiden". Zij was het, die mij, mijn eerste onderricht gaf.
 
Als een man en een vrouw elkaar ontmoeten, mijn lieve kind. Dan is de ruimte, tussen hen gevuld met vele gevoelens, vele verhalen. Je weet niet, wat er in die ruimte, in dat kistje zit, totdat je hem opendoet. Ik knik, want tot zover snap ik het. Dat het belangrijk, is wat ze mij verteld, kan ik zien aan haar blik, die een beetje glazig wordt, maar haar handen en haar breipennen versagen niet. Het getikt, gaat in een rustig tempo door. Een kus, mijn kind is de sleutel. Een kus opent de kist en laat zien, wat er binnen in zit. Ik slik, het idee van iemand moeten kussen, zelfs die ene jongen, die ik zo leuk vind, staat mijn nog niet echt aan. Het lijkt mij een raar gevoel, iemands lippen op de mijne, en ik schuif ongemakkelijk heen en weer op mijn stoel.
 
Ze kijkt me aan, geruststellend, maar doordringend. Ik vertel haar, van hoe mensen tegenwoordig, maar iedereen lijken te kussen en dat het mij zo tegenstaat. Ze knikt goedkeurend. Maar, als een kus zo belangrijk is, waarom doen ze dat dan, vraag ik haar. De pennen houden even stil, ze bijt op haar onderlip. Ze zegt zacht, ze mompelt bijna: "ze zijn de magie van een kus vergeten."
Het is vijf uur. Mama wacht thuis met het eten. Haastig sta ik op en strijk mijn rokken glad, voordat ik haar een kus, op haar gerimpelde wang, geef.
 
Toch morgen Helena, zeg ik.
 
Tot morgen Mary, zegt ze, terwijl ze zachtjes in mijn hand knijpt.
Terwijl ik de deur zachtjes dichtdoe, hoor ik de pennen weer verder tikken.
 
Maankind
Juli 2009

De Volgende Les

De Volgende Les
 
Die avond, tijdens het avondeten, was ik onrustig. Er was meer dan Helena me verteld had, dat wist ik. Mijn ouders hadden, wellicht onder druk van mijn eerste menstruatie, me allang seksuele voorlichting gegeven. Hoewel ik bij sommige vooruitzichten, nog vele malen meer, gegriezeld had. Dan bij die magische kus, die besproken was bij Helena,had het hele verhaal weinig indruk op me gemaakt. Hun verhaal was technisch, zaadjes en eitjes, en to-the-point geweest. Ik wist hoe kinderen gemaakt werden, maar Helena gaf de emotionele lading eraan.
 
De volgende dag, na schooltijd, durfde ik niet naar haar toe te gaan. Mijn moeder keek verbijsterd, toen ik zei, liever te gaan spelen met de andere kinderen in de buurt. Ik sloop bijna langs het huis van de drie zussen, zo schuldig voelde ik me. Ik was bang dat ze uit het raam zou kijken. Vanuit mijn ooghoek keek ik of ik het gordijn zag bewegen. Maar niets van dat alles, het huis stond er rustig bij, verlaten haast.
 
Een week gaat op deze manier voorbij. Ik ga niet naar Helena toe en ik raak geen boek aan. Ik speel buiten, voor het eerst in jaren, en ik speel alsof ik wat in te halen heb. Alsof ik besef, dat het einde van mijn kindertijd, in zicht is. Aan het einde van die week, ben ik het buitenspelen moe, de lentelucht heeft haar aantrekkingskracht verloren, de andere kinderen vind ik weer dom en hopeloos kinderachtig. Met een schuldig gezicht, betreed ik het huisje. Helena reageert alsof ik nooit ben weggeweest. Later zou ze me vertellen, dat ze wist dat ik afscheid moest nemen, van het kind zijn. En dat bijna elke heks zo reageert.
 
Met mijn hart in mijn keel neem ik plaats op mijn stoel naast de haard. Ik voel dat ze weifelt om te beginnen met haar verhaal. Ze heeft nog nooit geweifeld, voor mij geeft dit het belang aan van wat ze gaat vertellen. Mary, zeg t ze, ik neem aan dat je ouders je seksuele voorlichting gegeven hebben? Een hoog rode blos kleurt mijn konen. Ik kijk naar beneden, als ik zachtjes, ja knik. Tot mijn grote verbazing kijkt ze opgelucht. Gelukkig zegt ze, dan hoef ik je niet de technische details te vertellen.
Ze schrapt haar keel, en de eeuwig tikkende pennen, hangen een seconde of twee stil. Lieve kind je moet weten dat, als je besluit dit pad te volgen, je nooit één van hen, kijkend naar de mensen op straat, zal worden. Ik haal mijn schouders op, dat geeft niet, want dat ben ik nu al niet. De pennen beginnen weer te tikken. Haar blik verdwijnt in de verte, terwijl ze begint met vertellen. Liefde is meer dan de fysieke daad, veel meer. Voor veel mensen is seks hebben niet meer dan dat. Voor ons ligt dat, in veel gevallen gecompliceerder. Er is een groot onderscheid tussen seks hebben en de liefde bedrijven. De natuur, heeft van beide, haar smeedwerk gemaakt. In haar oorsprong, is de energie die vrijkomt, bedoelt om te creëren. Om cellen en mensen samen te voegen, samen te smeden. Hoewel tegenwoordig, gelukkig, de mogelijkheid bestaat om de liefde te bedrijven zonder dat dit een kind tot gevolg heeft. Hierdoor is het besef,dat wat je doet, consequenties heeft, ook verdwenen.
 
Luister goed, ik zeg niet dat je getrouwd moet zijn om seks te hebben. Wij geven, ze wijst naar zichzelf en haar zusters, van nature niet zoveel om het huwelijk. Wat ik wel zeg, is dat je bewust moet zijn van de mogelijke consequenties. Alles wat je doet, heeft consequenties in dit leven, dit dus ook en het is niet verstandig om deze te onderschatten.
 
De afwezigheid van mannen, in het huishouden van de drie zuster, heeft me altijd verbaasd. Nu heb ik een keer een aanleiding om er naar te vragen. Dus ik zeg: “Helena, je zei net dat jullie niet veel geven om het huwelijk. Hoe bedoel je dat?” Haar ogen lichten even op, voordat ze antwoord geeft.
 
Wij, van het oude geloof, erkennen het huwelijk gesloten door een ambtenaar van de burgerlijke stand, priester of dominee niet. Een huwelijk is bij ons niet meer, dan de beloften die twee gelieven maken, wanneer zij zich verenigen. Beloftes zou teer, zo intiem dat ze vaak niet eens worden uitgesproken. Het ligt in de herkeninning van twee zielen en het bekennen van twee lichamen. Eenmaal verenigd zijn we monogaam. Maar als ons hart vrij is, schenken wij liefde en hartstocht aan wie wij willen.
 
Een vrouw wordt bij ons niet geknecht, geen eigendom van de man. Maar bewonderd om haar onafhankelijkheid en bemint om haar zelfstandigheid. Kinderen uit haar geboren zijn van haar. Zij is het hoofd van het gezin. De enige ouder van wie de afkomst duidelijk is. De bloedlijn gaat van moeder tot moeder, van vrouw tot vrouw.
 
We accepteren dat een huwelijk niet voor eeuwig hoeft te zijn, een verbintenis kan worden verbroken. Hoe pijnlijk ook. Twee mensen veranderen, soms dezelfde kant op, soms groei je uit elkaar. Soms blijkt een keuze onverstandig en soms is liefde niet genoeg. Een relatie is een levend iets, niet bedoelt als gevangenis. Het is niet in de natuur van liefde om te verstikken. Liefde laat je vrij, laat je ademen en groeien.
 
Eenmaal bij elkaar maken wij elke dag de bewuste keuze bij elkaar te blijven of niet. In alle vrijheid. Want alleen door die keuze zijn wij zeker dat we bij elkaar blijven uit liefde. Niet omdat het moet.
 
“Helena, heb jij ooit een man gehad?” vraag ik haar. “Meerdere, lieve schat” zegt ze schaterlachend. "Ik ben zelfs getrouwd geweest." Nu staan haar ogen serieus, een beetje droevig zelfs.
 
Ze legt haar hand op mijn arm als ze zegt: “De les die ik je vandaag probeerde mee te geven is, dat je moet uitkijken aan wie je jezelf fysiek schenkt. De band die zich vormt is sterker dan je denkt.” Ze geeft me een kus, het teken dat de les voor vandaag is afgelopen.
 
Piekerend over alles wat ze me verteld heeft, loop ik naar huis.
 
Maankind

De Volgende Ronde

De Volgende Ronde
 
Bokkend en mokkend, sta ik te wachten in de rij, voor de volgende ronde. Met afgrijzen en een tikje jaloezie, kijk ik naar de groep jongeren, die vol ongeduld en verwachting staan te wachten. Zij hebben er zin in. Ik? Ik niet. Voor mij is het nieuwtje en de lol er al lang af. Vele malen liever was ik thuis gebleven, daar waar het rustig is en warm. Daar waar ik me veilig voel, thuis voel. Daar waar ik heen ga voel ik me niet thuis, zal ik me ook nooit thuis gaan voelen. Per keer dat ik er heen moet, groeit de heimwee.
 
Daar waar ik heen moet, van een keuze is geen sprake. Er wordt je verteld waar je heen moet. Dat ik ga met een missie, troost me allang niet meer. Dat ze me daar nodig hebben, doet niets af aan mijn behoefte om hier te blijven. Ze willen me daar niet, ze begrijpen me daar niet. Ik heb het al zo vaak geprobeerd.
Dit keer heb ik wat bedacht. Ik zal zorgen dat ik snel terugkom, misschien dat er dan naar me geluisterd wordt.
 
Onverbiddelijke handen, duwen me weg, naar het voorportaal van de hel. Ik weet wat me te wachten staat, maandenlang in een steeds kleiner wordende ruimte en als je licht aan het einde van de tunnel ziet begint de ellende pas echt.
 
De plek waar ik nu ben doet me nog denken aan thuis. Het is warm, donker en het voelt nog veilig. Ik ben omringd door water. Het enige wat anders is, zijn de geluiden. De geluiden van buiten en in dit geval voorspellen ze niet veel goeds.
 
Als het water verdwijnt, weet ik wat ik moet doen. Ik ga het niet achterna, ik blijf zitten waar ik zit. Het licht aan het einde van de tunnel is te fel, de geluiden te hard. Mijn wereld was zoveel mooier, als ik blijf zitten mag ik terug. Dat weet ik zeker!
 
Weer onverbiddelijke handen, andere dit keer, deze trekken me uit mijn veilige plek. Ik houd mijn adem in, maar een ferme tik op mijn billen, doet me laten huilen.
 
IK ben geboren.
Een oude, boze en gefrustreerde geest, in een jong lichaam.
Tijd voor de volgende ronde.
 
Maankind
April 2010

Verlaat mij nimmer

Verlaat mij nimmer
 
Met een verliefde zucht, kijkt ze naar de man die op haar bed ligt. Zijn blanke huid komt prachtig uit op de rood satijnen lakens. Vanaf dag één, was ze gehypnotiseerd geweest door zijn onderaardse schoonheid. Immens geboeid door het schrille contrast van zijn steile ravenzwarte haar, zijn ijzige blauwe ogen en zijn roomwitte huid. Ze het vermogen tot logisch nadenken, vanaf de eerste minuut dat ze hem zag, verloren. Als nooit te voren, had zich een bezitters drang van haar meester gemaakt. Hem moest ze hebben, desnoods zou ze over lijken gaan, om zijn geliefde te mogen zijn.
 
Of ze dat ook daadwerkelijk gedaan had, had ze tegenover haar vriendinnen in het midden gelaten. Haar beste vriendin, had zo haar angstige vermoedens. Nog nooit had ze haar vriendin zo gezien, ze leek bezeten van deze man. Dolgelukkig was ze dan ook geweest toen ze zijn aandacht had weten te vangen en zich zijn liefste mocht noemen. Doof was ze geweest voor de waarschuwingen, dat je van een mooi bord nooit alleen eet.
 
Ze waren een mooi koppel. Vrouwen beneden haar, om haar relatie met hem. Mannen waren jaloers op hem, om zijn relatie met haar. Na een hemelse nacht met hem had ze verzucht; "verlaat mij nimmer. Hij had haar glimlachend gekust en haar zijn meisje genoemd, maar verder niet gereageerd. Ze had haar groeiende onbehagen geweten aan haar eigen onzekerheid en jaloezie. Haar hemelse man, zou nooit wat doen om haar te kwetsen. Zij was immers zijn meisje.
 
Op een avond, toen hij nadat ze de liefde hadden bedreven, weer haar bed uitsloop. Besloot ze hem te volgen. Veilig verborgen door de deken van de nacht, volgde ze hem. Haar voetstappen zacht als kattenvoeten. Haar vurige hart werd koud", toen ze hem zag in de armen van die andere vrouw. Door een mist van tranen vluchtte ze naar huis. De rest van de nacht, en de dagen en nachten daarna, was ze als bevangen door koorts. Rillend van verdriet zocht ze bescherming in de veilig haven van haar bed. Het bed wat zo sterk naar hem rook. Zijn kruidige geur sneed door haar hart.
 
Ze at niet, ze sliep niet. Ze reageerde niet op zijn telefoontjes, sms-jes of mailtjes. Haar bloedende hart werd vervangen door een model van ijs.
 
Hij was opgelucht toen ze weer de telefoon opnam. Ze bood haar verontschuldigingen aan en weet haar wisselvallige gedrag aan hormonen. Hij knikte begripvol. Alles leek weer bij het oude toen ze die nacht zich overgaf aan zijn strelingen. Zij genoot en hij genoot zichtbaar van zijn macht over haar. Toen hij zich moe maar voldaan, na het volbrengen van het liefdesspel, achterover liet vallen in de kussens. Had zij, aandachtig en liefdevol, zijn zijdezachte haar gestreeld. Vervuld van trots genoot hij van zijn meesterschap, om verschillende vrouwen te behagen en te bezitten. Verbaasd voelde hij de stekende pijn, toen ze zijn nek kuste. Daarna werd alles zwart.
 
Ze liet hem achter in, wat haar soort, de verboden zone noemde. Ze had van hem gedronken. Te veel, om hem één van hen te maken. Te weinig, om hem te doden.
 
Voor eeuwig op de drempel tussen leven en dood.
 
Voor eeuwig van haar.
 
Maankind
Juli 2010
 
 

Schoolplein

Schoolplein
 
De manier waarop de zon op je gezicht valt. De manier waarop de sigarettenrook uit je mond ontsnapt. Die eeuwige arrogante glimlach om je lippen, die ik er met alle liefde van af had willen vegen, die me tot waanzin dreef. Ik vond je verschrikkelijk en wat was ik verschrikkelijk verliefd op je. Het beeld van, hoe jij met je vrienden, tegen dat muurtje hing. Blijft op mijn netvlies.
 
Het was een strategisch plaats, want iedereen die de school in moest, moest er langs. Die ogen van je, die me altijd leken te zoeken, en als ze me vonden, me verlamde. Gevangen in jouw blik, voelde ik me als een hert in de koplampen. Gevoelens buitelden op zo'n moment door elkaar heen en ik deed mijn uiterste best om niets te tonen. Onbereikbaar en verwaand vond je me, hoorde ik achteraf.
 
Vijftien was ik en verliefd op één van de populaire jongens uit de klas, met alle puberonzekerheden die daarbij horen. Ik was een buitenbeentje in de klas, hoorde nergens bij, wilde ook nergens bij horen. Over wat er aan de hand was praatte ik niet, ik zou ook niet weten aan wie ik het had moeten vertellen.
 
Ik leefde niet, ik overleefde. Ademtocht voor ademtocht, stap voor stap, dag voor dag. Er was in mijn leven geen plaats voor verliefdheid. Verliefdheid, laat staan verkering, zorgde voor nog meer problemen. Problemen die ik er echt niet meer bij kon hebben. Belangrijker misschien was, dat ik als we wel wat hadden gekregen, mijn zorgvuldig gebouwde muur had moeten afbreken. Ik was bang dat ik samen met mijn muur zou instorten.
 
Dus hield ik je op een afstand.
 
Ik was al vaker verliefd geweest en elke keer had ik die weg beredeneerd. Ik ging ervan uit dat mijn verliefdheid op jou zich ook wel weg zou laten jagen. Een jongen als jij verliefd op een meisje als ik, dat kon niet, hield ik mezelf voor.
 
Toen ik je jaren later weer zag, wist ik allang dat mijn verliefdheid meer was geweest dan, zo maar een verliefdheid. Het was de eerste keer dat ik echt verliefd was en het is waar the first cut is the deepest....
 
Maankind
April 2010

De Eerste

De Eerste
 
“Houd je nog van mij? “ vraagt hij, met een spottende ondertoon in zijn stem, maar met een serieuze blik in zijn ogen. Zij staat een paar passen van hem af en weigert hem aan te kijken. “Er zal toch ergens wel een religie of cultuur zijn, waar het verboden is om te vragen naar de bekende weg” denkt ze, terwijl ze koud is van boosheid. Hoe durft hij haar deze vraag te stellen, na alle pijn die hij haar gegeven heeft…
 
De stilte die tussen hen in hangt wordt zwaar. “Verdorie, hij wil echt een antwoord!” denkt ze. Ze voelt zijn ogen, op haar gezicht branden. Hij dwingt haar met zijn ogen, de hare naar hem op te slaan. Ze gehoorzaamt. Haar ogen vinden de zijne en met de pijn, die er in de hare te lezen is, kun je een kamer vullen. Haar mond probeert te antwoorden, maar de woorden willen niet komen. Ze slikt de brok in haar keel weg en geeft de poging om het uit te spreken op. De blik in zijn ogen vertelt haar, dat hij genoeg heeft aan haar blik. Woorden zijn overbodig en zouden dat wat kapot is, alleen maar verder benadrukken.
 
Het is tijd voor het afscheid. Omdat ze het niet kan laten, geeft ze hem zacht een kus op zijn wang. In die kus spreekt de vertrouwelijkheid van wat er ooit was. Op het moment dat haar lippen zijn wang loslaten voelt ze twee harten breken. Geen hand, geen knuffel, geen tweede kus. Nu rennen en vluchten, zodat ze haar tranen, niet met hem, hoeft te delen. Maar helaas, ze staan midden in het winkelcentrum, rennen zou ongewenste aandacht trekken.
 
Nog een laatste blik in zijn ogen, voordat ze zich omdraait. Ze ziet, dat ook hij huilt zonder tranen en dan breekt bij haar toch een schamper lachje door. Ze zijn verbonden door iets groters en diepers dan liefde. Ze zijn verbonden door het lot en het lot houdt ze apart. Telkens zo dicht bij elkaar, zo dicht bij een gelukkige toekomst met elkaar en toch ondanks alle beloftes, die de toekomst hen toont. Nooit samen.
 
Hij was de eerste man van wie ze echt hield. Een liefde op de verkeerde tijd, veel te vroeg in haar leven, en op de verkeerde plek. Als ze eerlijk is, ook op de verkeerde man, dat wist ze toen en dat weet ze nu, maar haar hart blijft met hem verbonden. Net als die van hem met haar. Ze zouden zielsveel van elkaar houden, maar ze zouden elkaar kapot maken.
 
Zou er zoiets zijn als te veel van iemand houden?
 
Maankind
Juli 2008

Mindgames

Mindgames
 
Ik wil je zo veel meer
schenken
dan ik geven kan.
 
Jij wil
veel
van mij
maar iets anders.
 
Beperkingen opgelegd
door mijn hart
en verstand.
 
De enige grenzen
die ik accepteer.
 
Bij jouw druipt de lust
hand in hand
met de desinteresse.
 
Bij mij glijdt een traan
gezusterlijk
naast het bloed van mijn hart.
 
De enige les hier
die ik zie
is de wetenschap,
dat jij het nooit zult leren.
 
Schaakmat
Jij verliest
 
Mijn winst
is mijn grote gelijk
 
Waarom ben ik dan niet blij?
 
Maankind
Maart 2010
 
"Well, you can cry me a river, cry me a river
I cried a river over you"

 


Lentegeest

Lentegeest
 
Ze zit bij het open raam, verwoed probeert ze haar hoofd bij haar werk te houden. De lentelucht, fris maar vol van belofte, probeert haar te verleiden.
 
“Kom spelen, kom jagen…
Laat het zonlicht je voeten dragen.”
 
De verleiding is groot, het trekt aan haar hart. Het loopt over van heimwee bij het woord, Jagen. Het zucht, maar haar verstand neemt snel het roer over. Jagen, nou ja misschien, maar waarmee dan?
 
“Kom nou…
Kom spelen, kom plagen.
Laat het zonlicht je hart dragen.
Kom dansen op de hei.
Doe mee en maak ons blij…”
 
Ze staat op en kijkt uit het raam. Daarginds bij een boom, meent ze twee lentegeesten te ontwaren. Ze vraagt nogmaals: “Jagen is goed, maar waarmee dan? “
 
Met je lichtheid lacht de een.
Met je charme fluistert de ander,
Terwijl ze de appel waarmee Eva,
Adam verleidde omhoog houdt.
 
Terwijl ze hun armen uitstrekken, zingen ze nogmaals
 
“Kom spelen, kom jagen.
Laat het zonlicht je voeten dragen.
Kom spelen, kom plagen.
Laat het zonlicht je hart dragen.
Kom dansen op de hei.
Doe mee en maak ons blij.
Moeder Aarde die wacht
De Groene Man is op jacht”
 
Kom je?
Doe je mee?
 
Maankind
Maart 2010
 
"Summer is icumen in"
 

 

De Vlucht

De Vlucht
 
Met haar gedachten ver weg, loopt ze over het veld. De hals van haar wollen jurk is nauwer, dan die van haar linnen hemd. Daar waar de wol, haar blote huid raakt, jeukt het. De meeste vrouwen in het dorp dragen hun haar opgeknoopt of in een vlecht. Haar lange zwarte haar sliert in alle vrijheid over haar rug. Uit het niets staat hij voor haar. Zijn armen gekruist voor zijn borst, zijn vriendelijke gezicht staat ernstig. Vanuit haar binnenste stijgt een oorverdovend "Nee!" op. Als ze van de eerste schrik bekomen is begint ze te rennen.
 
Het is tijd, denkt hij, als hij haar aan ziet komen over de velden. Het moet nu, voor haar eigen veiligheid. Zijn hart doet pijn, als hij denkt aan het gevaar waar ze in verkeerd. Aan haar ogen kan hij zien, dat niet alleen haar lichaam maar, ook haar gedachten dwalen. Hij probeert haar rustig te benaderen, zodat ze niet zal schrikken. Het moment dat hij voor haar staat en zij opkijkt, ziet hij meteen dat dit niet is gelukt. Haar ogen zijn groot van schrik, het lijkt wel of ze in dat ene moment zijn intentie leest. De angst in haar ogen doet hem denken aan het kleine verwilderde meisje, wat zoveel jaren geleden, uit het woud zijn dorp in liep. Hij was toen tien geweest en ze had hem nog het meeste doen denken aan een kleine zwarte wilde boskat. Ellette hadden ze haar genoemd. Praten had ze lang niet gedaan, maar haar ogen hadden hem genoeg gezegd. Vanaf het eerste moment, had hij de behoefte gevoeld om haar te beschermen. Ze was opgegroeid tot een stille en teruggetrokken maar beeldschone jonge dame. Dit had de steeds sterker wordende geruchten, in het dorp gevoed dat zij een dochter was van de Sidhe.
 
Tijdens de eerste nacht van mei was ze, een paar jaar geleden, weer het bos in verdwenen. Iedereen had haar gezocht maar niemand had haar kunnen vinden. Toen ze een week later terug kwam waren haar haren in de war, was haar jurk gescheurd en had ze verschillende blauwe plekken en wonden. Ze had niet willen praten over wat er was gebeurt of waar ze was geweest. Zelfs de stamoudste, waar ze haar naar toe hadden gebracht, had geen antwoord uit haar weten te krijgen. Het enige wat ze had gezegd was dat ze aan niemand rekenschap hoefde af te leggen en al helemaal niet aan een man. Hoewel iedereen geschokt was geweest over deze grove belediging, had men haar toch met rust gelaten. Zij had zich nog verder afgesloten van het dorpsleven, enkel een paar vrouwen werden nog toegelaten tot haar hutje. Bij een enkele gelegenheid had hij haar gezien en in haar ogen had hij een vreemd soort berusting vermengd met trots gezien.
 
Het duurde een tijd voordat men door kreeg dat haar buik groeide. De mannen in het dorp begonnen te mopperen. Ze had nog nooit één van hen een tweede blik waardig gevonden. Nu het duidelijk was dat er iemand was die haar had bezeten, groeide de wellust en de jaloezie. Ongetrouwd en zwanger, ze vonden haar een hoer. En gezien het tijdstip waarop ze waarschijnlijk zwanger was geraakt, ook nog eens een hoer van de duivel. Alleen zij, van het oude geloof, gebruikte de magie van de nacht om voor nakomelingen te zorgen. Alleen haar bollende buik beschermde haar tegen de groeiden verleiding om haar, al dan niet tegen haar, wil te bezitten.
 
Haar leren schoenen raken de harde grond van het marktplein nauwelijk, zo hard rent ze. Onderwijl vervloekt ze haar wollen beenlingen die langzaam afzakken. Hoeveel het haar ook irriteert ze kan niet stil blijven staan om ze op trekken en de kousenbanden te verstellen. Ze moet naar haar hut en daarna snel het dorp uit.
 
Haar gedachten vliegen naar haar zoontje die ze in de hut bij een vriendin had achtergelaten. Hij is haar wonder, met zijn zwarte haren en zijn groene ogen. Dezelfde ogen als zijn vader.
 
Zijn vader waar ze niet eens de naam van wist. Ze had hem maar één enkele keer ontmoet en bij die ontmoeting was geen woord gesproken. Ze had die avond, aan een vreemd verlangen, om diep het bos in te trekken toegegeven. Ze had hem ontmoet, ver van het dorp, over de heuvels. Het was al avond geweest en achter de heuvels had een vuur gebrand. Er had gezang geklonken, wonderschoon en ze had niet anders gekund dan er naar toe te lopen. Het had vreemd gevoeld, alsof ze gehypnotiseerd was geweest. Eenmaal bij het vuur aan gekomen, was daar alleen nog maar een man geweest. De overige feestgangers leken vertrokken. De groene man, zo noemde ze hem in haar gedachten, omdat alles aan hem groen was geweest. Van zijn eenvoudige kleding tot zijn prachtige sprekende ogen. Alleen de hertenhorens op zijn kap waren bruin geweest. Voor de meeste mannen in het dorp was ze bang geweest, maar deze man voelde vreemd vertrouwd. Hij had haar een roemer wijn gegeven en vanaf dat moment had alles vol liefde en leven gevoeld en van elk moment met hem had zij genoten. Ze was de volgende ochtend alleen wakker geworden en eenmaal terug gekomen in het dorp bleek er in haar ene nacht, een week verstreken te zijn. Ze kon en wilde niet spreken over wat haar overkomen was. Het was haar geheim en haar geheim alleen.
 
Toen haar maanstonden weg bleven, had ze de Godin gedankt en had begrepen welk geschenk haar gezonden was. Veel contact met de buitenwereld had ze nooit gehad, maar vanaf dat moment beperkte ze het tot een absoluut minimum. Slecht een handje vol “zusters”, waaronder de oude vroedvrouw, nam ze in vertrouwen. Een paar maal hadden buiten, ondanks al haar voorzichtigheid, haar ogen de de ogen van haar oude vriend en beschermer geraakt. Daarin had ze gemeend, ook toen haar buik groeide, begrip te zien. De verleiding was groot geweest om ook hem in vertrouwen te nemen. Maar hij was een man en dat maakte haar wantrouwig. Daarbij zou het de geruchten aangezwengeld hebben. Dus om zichzelf en hem te beschermen hield ze hem op afstand.
 
Ze had zich in zijn buurt altijd veilig gevoeld. De rust en de kracht die zijn hele houding uitstraalde dwongen respect af bij iedereen. Ze had toen ze de huwbare leeftijd had bereikt, overwogen om met hem te huwen. Ze wist dat, als ze dat had gewild, hij haar gevraagd had. Maar iets in haar binnenste had haar verteld dat dit niet haar lot was. Ze was voorbeschikt voor het werk van de Godin en kon geen man toebehoren.
 
Maankind
December 2009

De Bewustwording

De Bewustwording
 
Dat ze anders was, had ze vanaf het allereerste begin, geweten. Het anders zijn, had zich vermengd met haar vruchtwater en de allereerste teug lucht die ze had genomen. Ze had zich nooit af gevraagd, op welke manier ze nou anders was, dat was gewoon zo. Dat het eenzaamheid met zich meebracht, had ze al jong geleerd. Op de basisschool had ze maar weinig aansluiting gevonden, bij de andere kinderen. Zij begrepen haar niet en eerlijk gezegd begreep zij hen ook niet. Het was alsof ze verschillende talen spraken. Vaak had ze aan de rand van het schoolplein, jaloers staan kijken hoe de rest speelde.
 
Ze had liever gepraat met volwassenen, die ze zag als gelijken en die haar in ieder geval beter begrepen. Cynisch genoeg is dat omgedraaid nu ze volwassen is. Ze legt moeilijk contact met andere volwassenen. Ze weet, ze voelt nu dat wat ze als kind nog niet begreep. Volwassenen liegen, veel en vaak. Het ergste is, niet alleen tegen anderen, maar vooral tegen zichzelf. Ze zijn de kern van het bestaan vergeten. Verliezen zich in de uiterlijke schijn. Haar uiterlijk was onopvallend en in een wereld waar je succes als mens afhangt, van de door jouw gemaakte carrière, telde ze allerminst mee. Soms deed het haar pijn, maar ze kon en ze wilde niet zijn zoals de rest. Anders zijn, was onderdeel van wie ze was, al bracht dat nog steeds eenzaamheid met zich mee. Nog steeds, stond ze langs de zijlijn van de samenleving, toe te kijken. Afstand brengt overzicht met zich mee en vaak zag ze patronen die voor de meesten verborgen blijven.
 
Op haar veertiende, begon ze langzamerhand te begrijpen, waarom ze anders was. Heel haar leven, had ze geweten, begrepen of aangevoeld hoe anderen zich voelde. Maar ze was zich er nooit van bewust geweest, dat dit een gave was. Het besef kwam, op een middag tijdens een nogal saaie geschiedenisles. Haar gedachten dwaalde af, ze voelde handen over haar lichaam gaan en tot haar niet geringe verbazing had ze in haar gedachten seks, met de jongen achter zich. Ze was een puber, dus het was niet de gedachte aan seks die haar verwonderde… Maar met hem! Ze vond hem aardig, maar niet aantrekkelijk of op wat voor manier dan ook interessant. Ze was smoorverliefd op een andere jongen. Toen ze ging nadenken, besefte ze dat ze vaker tijdens deze les, gedacht had aan seks met hem. Bij nadere inspectie van de beelden in haar hoofd, zag ze alleen zichzelf. Ze voelde zijn handen, op haar lichaam.
 
Als een bliksemflits, sloeg het besef in en het deed haar ademhaling een seconde stokken. Een blik, in de ogen achter haar, bevestigde haar vermoeden. Ze zag en voelde zijn gedachten, alsof het de hare waren…
Ze bekeek hem en zichzelf nooit meer met dezelfde ogen.
 
Vanaf dat moment was alles anders.
 
Maankind
Maart 2010

Terug naar de Ivoren Toren

Terug naar de Ivoren Toren
 
Haar voetstappen klinken hol, op de koude, smetteloze, marmeren, trappen. Een wereld van wit omringt haar. Het geluid van de grote, zware deur die in het slot valt, klinkt nog na in haar oren en echoot voor haar de trap op. Bijna sneller dan het geluid, rent ze de trap op. Ze vlucht, ze kan het niet anders noemen.
 
Hier geen beschuldigende blikken, hier is niemand die het beter weet. Geen discussies meer, geen mogelijkheid om de fout in te gaan. Slechts stilte. Ze is alleen, alleen met zichzelf. De spiegel die er hangt bedekt ze, met een laken, want zij zelf is haar allergrootste criticus.
 
Hoewel ze uit vrij wil is gegaan, voelt ze zich verbannen. Ze voelt zich een non in het klooster. Haar hart geofferd aan de Heer. Een cynische glimlach breekt haar gespannen gezicht, de ene Heer of de andere. Het is om het even, is het niet?
 
Ze weet dat iedereen, om haar heen, nu trots is. Ze heeft gekozen voor verantwoordelijkheid, voor verstand. Ze doet dat, wat iedereen zegt, dat juist is.
 
Haar gouden kooi is niet zo slecht, ze heeft hem tenslotte zelf gebouwd. Ze gaat in het open raam zitten. En geniet van de geuren, de kleuren en geluiden. Haar geest vlinder vrij in de open ruimte, haar vingers spinnen een draad op de spintol. Straks zal ze de zachte witte wol weven tot een prachtig en zacht wit kleed.
 
Het zal haar doodskleed zijn.
 
Voordat ze haar vergeten, zullen ze voor haar een rede houd. Ze zal geroemd worden om haar goedheid en wijsheid. Ze zal daar liggen als een engel in het wit.
 
Haar draad breekt.
 
Ze wil geen engel zijn….
 
Maankind
Maart 2010
 
 

Momentopname

Momentopname
 
Mijn Oma,
ze noemt me Mevrouw
en bij het afscheid word ik keurig bedankt voor mijn komst.
 
Een hulpeloos hoopje mens,
een schim van de vrouw die ze vroeger was.
Lopen gaat allang niet meer,
haar zicht vermindert tot een klein kokertje.
Horen kan ze alleen nog met de hulp van een apparaatje.
Haar scherpe geest vertoont zich alleen nog bij vlagen,
zuchtjes die steeds zachter worden.
Haar bruine ogen turen aandachtig in de buggy.
De twee bruine twinkeloogjes van mijn zoon kijken aandachtig terug.
De band onmiskenbaar.
 
Als we thuis zijn vraagt hij: "Wanneer gaan we weer naar de Oma in de kinderwagen?"
 
Mijn herinneringen hebben velen kleuren, met hier en daar een streepje goud.
 
Maankind
April 2009

Huiskabouters

Huiskabouters
 
Schijnbaar achter niets, loopt mij poes als een bezetene door het huis te rennen. Ik verzoek haar vriendelijk, nou ja. …vriendelijk, om onze huiskabouters met rust te laten. Geheel volgens poesieaans gebruik word ik volkomen genegeerd. Ik ben soms maar blij dat ze geen middelvinger hebben…
 
Toch heeft ze er nog nooit eentje gevangen, wat dus inhoudt dat de kabouters of heel hard kunnen rennen en slim zijn, of mijn poes bar slecht in vangen. Hoewel ik er dus nog nooit eentje gezien heb weet ik zeker dat we ze hebben. In ons huis verdwijnen namelijk spullen, nou zou je de beschuldigende vinger kunnen wijzen naar de drie creatieve chaoten die er wonen. De jongste doet qua chaos niet onder voor de oudste en vice versa, maar toch zijn de bewijzen daar.
 
Soms worden spullen alleen maar even geleend, vaak zijn dit dingen zoals scharen, pennen, huissleutels, naalden etc., en vinden we ze terug op plaatsen, waarvan de persoon die het kwijt gemaakt heeft zeker weet dat hij/zij het daar niet neergelegd heeft. Ook altijd op de meest vreemde plaatsen overigens. Ik weet niet of mijn schriftelijk verzoek om gebruikte spullen weg te leggen op de daarvoor bestemde plaats is aangekomen. Precies zeker weten waar de ingang naar hun huis is doe ik niet. Mijn eerste idee was achter de computerkast, die is tenslotte zo groot en zwaar dat hij nooit van zijn plaats komt, maar gezien de hoeveelheid stof die er ligt lijkt het me onwaarschijnlijk. Ik weet zeker dat ik het verzoek heb ingediend, maar de boodschap lijkt niet aangekomen. Net als bij de grote menselijke bewoners van dit huis overigens, dus tja dat zegt niets. Ieder huis krijgt de huiskabouters die het verdient, dus wat kun je verwachten. Het is er trouwens gezien het aantal spullen wat verdwijnt niet maar eentje, maar volgens mij een gezin en een groot gezin nog wel.
 
Een sterker bewijs van hun bestaan vind ik, dat er dingen echt verdwijnen, spoorloos verdwijnen zelfs. Echt niet terug te vinden, zelfs niet na een goed georganiseerde systematisch speurtocht door drie personen in het hele huis, te beginnen natuurlijk op de meest vreemde plekken, zoals de koelkast, de wc enz enz… Ligt er natuurlijk ook aan wat je zoekt.
 
Ik bedoel hoe verklaar je anders die stapel enkele sokken die we hier in het sokkenmandje hebben liggen, eenzaam wachtend tot de andere sok weer verschijnt. Een paar jaar terug zijn we verhuisd en toen dachten we een aantal verdwenen zaken wel weer terug te vinden. Maar nee hoor niets daar van! Je vraagt je toch af wat ze met een trosje plastic speelgoed bananen moeten….
 
Iedereen weet dat kabouters in je huis geluk brengen, dus we mopperen niet al te veel over onze verdwenen spullen. Af en toe geef ik ze zelfs een stukje brood en een schoteltje melk, meestal tot mijn grote teleurstelling blijft dat onaangeroerd. Tot ik laatst tot mijn grote vreugde een leeg schoteltje terug vond. De blijdschap was van korte duur, want vlak daarna zag ik dat mijn kat toch wel erg tevreden keek en bij nadere inspectie zag ik de melkdruppels in haar snorharen.
 
Stoute Poes !
 
Maankind
November 2008

Liefdesvampier

Liefdesvampier
 
Ze heeft me vaker geraakt.
Vluchtig…
Een gevoel van verdoving.
Dan snakkend naar meer.
Verslaafd aan de korte roes.
Haar lippen raken teder mijn nek.
Gevolgd door een scherpe pijn
Ware liefde zuigt
En laat je hart bloedend achter.
 
Maankind
September 2009

Zeeschuim

Zeeschuim
 
Hij loopt, enigszins hijgend, het steile duin op. Met zijn veertig jaren is hij, met zijn blonde haren en levendige, enigszins ondeugende, bruine ogen, een mooie man. In goede conditie, maar een fervent roker en dat breekt hem soms een beetje op. Hij vloekt op het feit dat ze dit duinpad na al die jaren nog niet verhard hebben, zijn voeten vinden maar weinig houvast in het mulle strandzand. Iets wat de klim naar boven zwaarder maakt, dan hij had gedacht. Vroeger, denkt hij, ging de klim toch makkelijker.
 
Boven aangekomen steekt hij een sigaret op en speurt het strand af naar tekenen van leven. Het is net zonsondergang geweest en er staat aardig wat wind. De wolken, die als een deken over de hemel liggen, voorspellen regen. Het strand is rustig. Hij vraagt zich af wat hij daar doet. Hij weet het wel, hij wilde nog een keer dichtbij haar zijn. Haar aanwezigheid voelen. Zijn sigaret dooft hij, als hij haar kleine gestalte ziet. Ze mopperde altijd al op zijn roken en die discussie wil hij vanavond voorkomen. Er zijn andere dingen die hij van haar wil weten.
 
De dag is warm geweest, maar de zomer loopt op zijn einde en de avonden worden steeds koeler. Terwijl hij naar beneden loopt, is hij verbaasd te zien, dat zij met haar voeten in de zee staat. Blijkbaar heeft ze net gedoucht. Haar natte bruine haren, lijken op slierten zeewier, die langs haar witte gezicht vallen. Haar huid is opvallend wit, wit als het schuim van de zee. Hij vraagt zich af, waarom het hem niet eerder opgevallen is. In zijn gedachten heeft ze altijd een rode blos op haar wangen. Misschien heeft ze last van de kou, wat bezielt haar dan ook om met haar voeten in het koude water te gaan staan.
 
Haar hemelsblauwe ogen kijken naar hem op, als hij haar nadert. Hij probeert haar te peilen…
 
Iedere toevallige voorbijganger zou kunnen zien dat deze twee mensen, op een punt in hun leven geliefden zijn geweest. Maar er komt niemand voorbij. Niemand die hun op dit moment stoort.
 
Ze had hem al zien staan boven op de top van het duin, rokend. Inwending moest ze er ergens wel om lachen. Verstokte roker als hij is zal hij het wel nooit opgeven. Het hoeft ook niet meer, denkt ze plotseling kil, want Zij vind het tenslotte niet erg.
 
Hij is weinig veranderd, denkt ze als hij het duin afloopt, nog net zo knap als vroeger. Ze onderdrukt de neiging om zijn gezicht te strelen. Haar aanraking zou koud en klam voelen en ze wil dat hij haar herinnert zoals ze was. Warm en levendig. Ze kan hem al heel lang niet meer aanraken. Haar aanwezigheid raakte hem niet meer en dat was het begin van het einde geweest. Ze vraagt zich af of hij de pijn in haar ogen ziet. De pijn die hij daarin had gebracht, die haar naar het strand had gejaagd, naar de zee. Om te ontsnappen aan alles.
 
Ze herinnert zijn verraad nog alsof het gisteren was. De vlam van zijn liefde voor haar was steeds kleiner geworden. Zijn interesse geleidelijk aan minder, zo geleidelijk dat ze eerst dacht dat ze het zich verbeelde. Maar geconfronteerd met de tekens die steeds duidelijker werden, moest hij uiteindelijk een einde aan zijn leugens maken. Hij hield van een ander.
 
Hij hield van haar zuster
 
Ze voelt haar hart nog breken, als ze denkt aan het moment dat hij de woorden uitsprak. Zij voelde zich stom, ze had het gezien en haar ogen gesloten. Als een klein kind had ze gelooft in de leugens die haar verteld waren, omdat de werkelijkheid te veel pijn deed. Ze was kwaad geweest, ze had ze gehaat. Dat alles was gezakt. Ze had moeten toegeven dat haar zuster veel beter bij hem paste dan zijn ooit had gedaan. Haar zuster had hem ook meer nodig gehad dan zij en hij had meer bevestiging nodig gehad, dan zij met haar onafhankelijke geest, kon geven. Ze had hen na verloop van tijd met opgeheven hoofd alle geluk gewenst en dit had ze met heel haar hart gemeend.
 
Maar de pijn van het hun samen zien sleet niet. De pijn van zijn gezicht zien, gevuld met liefde, maar niet met liefde voor haar. Het had haar verscheurd. Hier op het strand had ze vrijheid gezocht, een einde aan de pijn en die was met de golven gekomen.
 
Hun ogen ontmoeten elkaar. Hij ziet de berusting en de pijn. Voordat hij zijn mond kan openen om iets tegen haar te zeggen, gaat haar gestalte op in de golven, die haar omringen. Precies, zoals het al die maanden geleden had gedaan, toen zij haar vrijheid had opgeeist.
 
Ze had hen verlaten zonder een afscheidsbrief en haar lichaam was nooit gevonden. Ze was voor het laatst hier gezien bij de vloedlijn, met haar voeten in het water.
 
En vandaag hadden ze eindelijk afscheid genomen.
 
Maankind
Oktober 2008

"Sie stehen eng umschungen
ein Fleischgemisch so reich an Tagen
wo das Meer das Land berührt
will sie ihm die Wahrheit sagen
Rammstein - Nebel "

De Oceaan

De Oceaan
 
Ik vond mezelf niets. Als ik mezelf zocht, vond ik slechts leegte.
 
Een leegte gevuld met echo’s van anderen. De grenzen tussen mijn bewustzijn, en dat van de mensen om mij heen, is altijd vaag geweest. Hun gevoelens waren net zo duidelijk als mijn gevoelens, vaak zelfs duidelijker. Hun behoeftes waren de mijne.
 
Mijn bewustzijn was de oceaan. Oneindig groot en zonder grenzen.
 
Ik ben opgevoed in dienstbaarheid. Ik zorgde voor, dat is mijn natuur, maar ook wat er van mij verwacht werd. Ik mocht geen eisen stellen, mijn behoeften deden er niet toe. Boosheid en woede waren verboden. Ik mocht slechts liefde zijn, slechts lief zijn.
 
Mijn lichaam, mijn ziel en mijn liefde waren opgeëist.
 
Mijn bewustzijn was de oceaan. Beïnvloedt door de maan en de elementen. Gevoelig voor vervuiling van buitenaf.
 
In mijn oceaan begon iets te groeien. Iets kleins, wat steeds groter en sterker werd. Iets wat het beschermen waard was. Iets wat belangrijk was. Hoewel hij verbonden was met mij, was hij onmiskenbaar zichzelf.
 
Met zijn geboorte kreeg zijn moeder gestalte. In de oneindige oceaan leefde een zeemeermin.
 
Mijn kleine zeemeerman gaf mij het grootste geschenk ooit. Hij gaf mij grenzen. Hij zocht ze op, testte ze, had ze nodig, eiste ze. Om zijn moeder te kunnen zijn moest ik leren zien wie ik was. Leren voelen wat ik voelde. Vader Tijd deed zijn ding en Moeder Aarde eiste mijn kind op.
 
De zeemeermin kreeg benen en moest leren, er op te staan, op eigen benen te staan. Een zeemeermin werd vrouw.
 
Mijn zoon kwam en God schiep de vrouw, omdat mijn kind een moeder nodig had.
 
Maankind
November 2009


De heideheks spreekt

De heideheks spreekt
 
Je begrijpt me niet.
 
Je houdt van me, dat zie ik wel, maar je begrijpt me niet. Ik heb het benauwd hier in jouw wereld. Die wereld waar ik niet hoor. De conventies, zijn net ketens, ze brengen me daar waar ik niet wil wezen. Ze halen me naar beneden. De kleding die ik moet dragen, om niet op te vallen, verhullen mijn ware aard.
 
Ik wil vrij zij, ik moet vrij zijn.
 
Naar buiten, ik moet naar buiten!
 
Volg je me?
 
Lief, haal die frons van je voorhoofd. Probeer me niet te snappen, probeer me te voelen. Als je me niet probeert in een hokje te stoppen, als je me niet probeert te doorgronden. Pas als je dat alles los laat en slechts voelt, zul je mij begrijpen. Jou verstand is als een havik, maar ik wil geen muis zijn. Ik wil niet ontleed worden door jouw snavel. Mijn stemmingen zijn als de maan, ze komen en gaan net als de eb en de vloed. Zelf snap ik ze ook niet, maar ik accepteer dat ze er zijn. Mijn buien, die jou zo bevrezen en verwonderen, er zit een logica achter. Zij volgen mijn hart, wat soms zoveel voelt dat het stil valt of niet meer kan stoppen met praten.
 
Je vervloekt me om mijn wispelturigheid, maar als ik iets anders zou zijn dan ik ben,zou je dan nog van me houden?
 
Vrij wil ik zijn. Ik wil spelen met de stofdeeltjes in het zonlicht, rennen door de wind om met haar mee te vliegen. Staren naar mijn moeder de maan en sterren tellen in de nacht. Oneindig oud als ik ben, ik moet spelen. Spelen is vrijheid en alleen in vrijheid kan ik ademen.
 
Bemin me, zoals ik jou eeuwig zal beminnen, maar vang me niet.
 
Als je een manenstraal vangt, verliest hij zijn glans.

Maankind
Oktober 2009

Woudgeest, heideheks

Woudgeest, heideheks
 
Zoals ze tegenover me zit, en van haar hete kruidenthee nipt. Doet ze me denken aan een mus, die heen en weer wipt van de ene poot op de andere. Ze wiebelt onrustig op haar stoel en hoewel we met elkaar praten. Heb ik niet het gevoel dat ik haar bereik. Ze kijkt langs me heen naar buiten en dat is ook waar haar gedachten zijn, daar buiten, buiten mijn bereik. Ondanks haar open uitstraling is ze nu gesloten. Ik voel een muur tussen ons. Van waar achter, ze me argwanend bekijkt. Mooi is ze nog steeds en ondanks haar leeftijd is ze nog steeds een meisje.
 
Als ze ziet dat ik mijn koffie op heb, vraagt ze of ik een stukje met haar wil gaan wandelen. Het is koud buiten maar het is droog en zonnetje schijnt. Bij de heide en het bos aangekomen zie ik haar ontspannen. Te voorschijn komt haar “wilde”kant. De kant waar ik ooit zo verliefd op geworden ben. Haar zwarte lange haar valt in slierten over haar winterjas, haar ogen schitteren. Haar handen strelen de bast van een oude beukenboom, ik heb gevoel een toeschouwer te zijn van een intiem onderonsje. Als ze vervolgens om de boom rent en kiekeboe naar me roept doet ze me denk aan een dochter van Pan.
 
Opeens krijg ik het beelden van haar. Op blote voeten in het gras, op blote voeten op het zandpad. De zon aanbiddend in een luchtige zomerjurk. Uitgelaten rennend tegen de wind in, met een warme jas. Gekleed in lucht, dansend onder de sterrenhemel. Een caleidoscoop van beelden vult mijn netvlies. Nog nooit was zij zo open.
 
Er staat een bankje op overgang tussen bos en heide. We gaan er samen op zitten. Aandachtig bekijkt ze mij met vossenogen, belangstellend maar schichtig. Nu praat ik en zij luistert, ik spreek van heden en verleden, van waarom en waarom niet.
 
Als haar hand de mijne raakt voel ik haar liefde, als haar lippen mijn wang beroeren weet ik waarom het nooit zal zijn. Ik ben slechts een sterveling.
 
Maankind
Oktober 2009

Liefde

Liefde
 
Mijn liefde is onafhankelijk
Ze staat op haar eigen benen
en verkiest het hooguit om het pad te delen met jou.
 
Mijn liefde is vrij
Ze heeft ruimte en lucht nodig,
om te kunnen ademen,
Zingt je lofzang niet luid hardop,
maar fluistert in jouw oor de woorden
die alleen voor jou bestemd zijn.
 
Mijn liefde rent en danst
Omdat alleen dan,
het zonlicht haar vleugels vangt
en haar ware kleuren toont.
 
Bind mij
En ik zal vluchten
 
Knecht mij
En ik zal terug slaan
 
Ik ben, alleen, compleet
Maar een completer mens
Door mijn liefde voor jou.
 
Loop naast mij
Ren met mij
Deel mijn levenspad
 
Respecteer mij
Laat mij vrij
Dan zal ik je vangen als je valt,
Mijn hand aan je schenken
en een plaats in mijn hart.
 
In kracht
In vrijheid
In liefde
 
Maankind
November 2008

Roze Pluche Teddybeer

Roze Pluche Teddybeer
 
Met mijn ogen nog niet eens half open strompel ik de trap af, ergens halverwege wordt mijn neus een ziekelijke zoete weeïge lucht gewaar. Alarmbellen gaan af, in tijgersluipgang ga ik de trap af. Bij het openen van de huiskamerdeur valt mijn blik op een hele grote roze pluche beer in het midden van de huiskamer. Zo eentje, die je als pubermeisje van je verkering kado krijgt, op Valentijnsdag. Ik trouwens niet, de jongens die verliefd op mij werden. Wisten wel beter. Ze hadden geen zin om gevierendeeld of gefileerd te worden. Hoe ze daar nou bij kwamen, snap ik niet...
 
Hardnekkig weiger ik naar het wanstaltige zoete ding te kijken, in de hoop dat het verdwijnt. Ik verdwijn naar de keuken voor mijn eerste bakkie koffie.
 
Met mijn ogen iets verder open, het was tenslotte pas mijn eerste bak koffie, loop ik weer de huiskamer in. Het ding is nog niet weg. Mijn humeur daalt tot een dieptepunt. Nu pas ontwaar ik de rode letters met een hartje. Ik weiger het woord tot me door te laten dringen, ik weiger het te lezen, maar mijn geest weet allang wat er staat.
 
Ik grom wat en pak een boek, maar het beeld van die overweldigende zoetigheid is niet van mijn netvlies te branden. Ik besluit mezelf nu maar met het woord te confronteren, er is tenslotte niets te vrezen behalve de vrees zelf.
 
Met mijn armen in mijn zij, gefronste wenkbrauwen en mij kin in de lucht ga ik de confrontatie met het roze gedrocht aan en lees het woord.
 
Er staat:
 
Lief!
 
Een rilling loopt over mijn rug en in een reflex kokhals ik. Gelukkig blijft mijn ontbijt en mijn koffie binnen. Ik heb zo al genoeg op te ruimen.
 
Het woord lief is voor mij besmet. Te vaak gebruikt als zoethoudertje. Als manier om mijn monddood te maken.
 
Ik heb echt een chronische allergie voor het woord lief.
 
Je bent lief, zegt tegen mij, ik hoef geen rekening met jou of je gevoelens te houden.
Je bent lief, zegt tegen mij, je bent zo ontzettend naïef dus ik kan je gewoon belachelijk maken en misbruiken.
Je bent lief, voelt als een aai over mijn bol, als dom gehouden worden, als kleiner gemaakt worden.
 
Wees nou eens eerlijk, als je over een baby zegt dat hij er ontzettend lief uitziet. Is dat toch meestal omdat het een lelijk kind is?
Hoe vaak is het niet zo dat als je het in een gesprek met een vriendin het hebt over een hele lieve man, het meestal inhoudt dat je je absoluut niet aangetrokken voelt tot deze persoon?
 
Het liefst zou ik willen gillen; "IK BEN NIET LIEF! Ik ben stoer, sterk, onafhankelijk,sexy, … "
 
Nee dus,…ik ben lief…
 
In een vlag van opstandigheid geef ik dat grote knuffelding een rotschop,
en bezeer mijn voet.
 
Ik stort me er bovenop in een poging het om te laten vallen,
maar het blijft onvermurwbaar staan.
 
Ik krijg een driftbui waar een peuterpuber zich voor zou schamen.
Ik sla met mijn vuisten op de grond,
tier, scheld, vloek, mopper
en stamp.
 
Ik meen uit de richting van HET een gemeen, hol lachje te horen.
 
In een opwelling ga ik op zoek naar de grootste pot diep heksenzwart wat ik kan vinden en giet het erover uit. Als het droog is, ik klim naar de kop en plak er twee rode hoorntjes op. Vervolgens geniet ik van het uitzicht en drink ik een glas whisky.
 
Dan maar lief, maar wel op mijn manier.
 
DUH!
 
Maankind
Februari 2009
 
"If there's lessons to be learned, I'd rather get my jamming words in
first so, when you're playing with desire, don't come running to my
place when it burns like fire boy.
 
Gabriella Cilmi - Nothing Sweet About Me"
 

 

Vampyre

Vampyre
 
Ik ren
Ik vlucht
Ik vlucht voor jou
Mijn voetstappen klinken hol in het donker
 
Velen zien maar sluiten hun ogen
Velen horen maar houden zich doof
Een eenzaamheid donkerder dan de nacht
Geen hulp, geen redding voor mij
 
Ik heb geprobeerd te ontsnappen aan jou blik
Zonder de hoop dat het ooit echt zou lukken
Ondergedoken, maar toch steeds jouw ogen in mijn rug.
Rennen voor mijn leven, voor mijn zielrust
 
Verraden door mijn bloedende wond,
Veroorzaakt door jou.
Verraden door mijn lichaamlucht,
Mijn zijn.
 
Ik stop
Het rennen moe
En keer mij om.
Het kloppende gevoel in mijn aderen is opgehouden.
Ik lach opgelucht
Er valt voor jou bij mij niets meer te halen.
 
Ik ben vrij
En laat mij opslokken door het duister.
 
Maankind
Oktober 2008
 
 

Diamant

Diamant
 
Vele geslepen facetten
Valse schittering?
 
Koele schoonheid
Ontstaan onder druk
 
Ik koester
Als een oester
Mijn Diamanthard
Hart
 
A Diamond is pure
And can never be broken.
But it is cold as death.
 
Maankind
Oktober 2009
 
"...Don't you know
diamonds are a girl's best friend
 
When you go
they stay with me until the end...
 
Herb Alpert - Diamonds"
 

Vrouwe

Vrouwe
 
"Vrouwe" zeg ik, en kus haar door de sluier van de dood heen.
 
Het rumoer van de zachtjes ruziënde familie heeft plaats gemaakt voor stilte. Nu zijn er slecht schermutselingen bij het wisselen van de wacht. Ik hoop dat zij ze niet meer gewaar is.
 
Vrouwe, een vederlicht woord met voor mij een zwaar wegende betekenis. Het is een eretitel onder gelijken, voorbehouden aan de vrouwen in mijn leven die mij omringen met wijsheid, liefde en die mij inspireren. Zij was het allemaal.
 
Ik kijk naar haar gestalte op bed, zo vertrouwd en toch zo veranderd. Haar koude hand met perkamentachtige huid in mijn handen. In stilte dank ik haar dat ik er mag zijn vanavond. Herinneringen aan hoe de hand voelde toen zijn nog warm was, wellen op, en tegelijkertijd een traan.
 
Het is een warme zomer, maar hier in het gelijkmatige koele klimaat van deze kamer, maak ik er weinig van mee. Het raam is als een televisie. Het is alles wat ik zie van de gewone wereld, waar ik al een tijdje geen deel meer van uitmaak. Ik verlaat deze kamer alleen om te slapen of om eventjes bij mijn gezin te zijn, maar mijn hoofd en hart zijn immer bij haar. Het is bevreemden om te zien, hoe de wereld gewoon door draait, door gaat met leven. Terwijl in haar kamer de tijd, in afwachting van de dood, stil lijkt te staan. Als ik buiten ben, voel ik het leven langs mij strijken, maar het raakt mij niet. De zon verwarmt mijn hart niet, de wind streelt mijn huid niet.
 
Ik lig in bed, vervuld van pijn en angst, wachtend op de dood
 
Lang zijn haar lichaam en geest onrustig geweest, de angst voor de naderde dood was groot. Haar lichaam is nu stil, verdoofd, haar geest mompelt onrustig. De kamer gevuld met angstbeelden en echo's van pijn. Toch zou ik nergens anders willen zijn, dan hier bij haar, op dit moment.
 
De zon gaat langzaam onder, de lucht kleurt donkerblauw. Een groep kraaien vliegt op uit een boom. De kamer wordt gevuld met stilte en vrede. Haar lichaam ademt nog, maar haar ziel heeft rust gevonden.
 
De volgende ochtend geeft ook haar lichaam de strijd op. Ik hou haar hand vast, tijdens haar laatste ademtocht en ga zo ver mogelijk met haar mee. In gedachten bij de generaties voor en na haar, laat ik haar geest gaan, geef haar over aan de mensen die daar op haar wachten.
 
Ik vouw haar handen op haar buik. Ze ziet er onschuldig, bijna engelachtig uit. Ik kus haar een laatste maal en zeg "Dag Meisje".
 
Mijn wake is ten einde.
 
Maankind
Januari 2009

Morpheus

Morpheus
 
Het duister omhult mij
met glad zwart satijn.
Verhult mijn naaktheid
met dekens van het donker.
 
Maskers zijn hier niet nodig,
In de stilte.
Geen harde woorden
maar slechts gefluister.
 
De nacht is niet koud,
maar brengt mij de warmte,
van jouw armen.
 
Kleurrijke dromen,
die ik beleef met jou.
En alles waar ik naar verlang
 
Rust
 
Maankind
Maart 2009

Femme Fatale

Femme Fatale
 
Verleiding
in het duister
Passie zo vurig
Als de kleur van haar lippen
Woorden
als scherpe messen
Doden
het mannelijk ego
Een muur gebouwd
om dat te beschermen
wat al zo vaak
gebroken is.
 
Maankind
September 2009

De Donkere Kant

De Donkere Kant
 
In een spaarzaam verlichte kamer, met een mooi gedekte tafel waarop de resten van een romantisch diner nog staan samen met een roos en twee lege wijnglazen. Zit een vrouw op de grond, naast haar ligt een man. Zijn hoofd in een intiem gebaar op haar schoot. Ze praat tegen hem terwijl hij lijkt te slapen...
 
Ik haat je. Ik haat de schijnheiligheid die je ware gezicht bedekt. Ik zou het masker willen afrukken, zodat iedereen het gezicht ziet wat ik heb leren kennen. Je zogenaamde wijsheid,
die je woorden en je houding doorspekt. Maar die niet van binnenuit komt. Je weet het allemaal wel, maar je voelt het niet. Je meent het niet.
 
Je bent vals, daarmee bedoel ik dat je onecht bent. Je weet hoe je bewondering en liefde kunt opwekken en hoe je beminnelijkheid kan uitstralen. Als je alles wat je zegt nou eens zou menen, als alles wat je zo fanatiek uitstraalt nou eens echt zou zijn. Je zou zo veel goeds kunnen doen, maar je kiest voor de donkere kant. Je gebruikt alles wat je kan puur en alleen voor de macht.
 
Ik gruw van de leugens die je aalgladde woorden zijn. Sprookjes lees je en sprookjes vertel je, de prachtige prins op het witte paard, maar met zwartheid in je hart. En ik, ik las jouw sprookjes en geloofde omdat ik zo dringend wat magie in mijn leven nodig had. Mijn fout, mijn verantwoordelijkheid. Ik luisterde niet naar wat mijn intuïtie zo hard gilde, als iets te mooi lijkt om waar te zijn, is het dat ook.
 
Ik hield van je, ook toen ik je ware gezicht kende, omdat de sprookjes zo mooi waren. Ben ik dan zo naïef? Maar als ik dat ben wat zegt dat dan over al die anderen, die je zoete koek blijven slikken. Een ieder die hen waarschuwt is negatief en jaloers, en spreekt leugens.
 
Ik haat de leugen die jij bent en ik haat het dat ik erin geloofde…
 
Ik heb mezelf van jou losgerukt, ik ben afgekickt van de verslaving aan jouw zoetigheid, nu moet ik alleen nog de boosheid loslaten, want zolang ik die voel. Heb je me nog steeds in je macht.
 
En toch elke keer als ik je gezicht zie, wil ik je masker afrukken, zodat de duivel die eronder zit zichtbaar wordt. Je borst open snijden om te kijken of er wel een hart in huist. Je zwarte hart in mijn handen houden en er steeds harder in knijpen zodat je de pijn voelt die je mij hebt gedaan. In je nek bijten en je warme rode bloed drinken, zoals je mij dronk, totdat ik leeg was en me vervolgens weggooide. Je ogen uitkrabben zodat je me nooit meer in de gaten kan houden. Ik nooit meer je blik hoef te zien. Je schoppen, slaan en stompen om lucht te geven aan de intense woede in mijn hart.
 
Alles was goed geweest, als je me maar met rust had gelaten, me niet was komen op zoeken.
 
Ze keek naar het bewusteloze gezicht van de man van wie ze zou gehouden had en die ze nu zo haatte. Haar ogen lichten op als ze het grote slagermes pakt, een serene glimlach om haar mond...
 
Ze geniet zichtbaar als zijn bloed over haar handen en armen stroomt, terwijl ze zijn kloppende hart in haar handen houdt. Als het stopt met kloppen bijt ze er in.
 
Je daagde mij uit om van je donkere kant te houden en ik zou je gevolgd zijn tot in de hel. Correctie, ik ben je gevolgd tot in de hel. Je daagde me uit om mijn donkere kant te omhelzen.
 
Nou schat dit is d’r, vind je d’r leuk?
 
 
Maankind
November 2008

Dienstmaagden van de Dood

Dienstmaagden van de Dood
 
Als het schreeuwen is verstomd.
Als het mos rood gekleurd is van het bloed.
Als de levenden zijn verdwenen,
dan weet ik dat mijn tijd is gekomen.
 
Ik kleed mij in maagdelijk wit zijden,
in warm wollen oranjerood.
Mijn omslagdoek heeft de kleur van aarde en bloed.
Mijn lange zwarte haar knoop ik en zet ik vast met een kunstig gesneden benen pin.
 
Door de koude, door de nevelen reis ik te voet, mijn vele rokken ruisen.
Mijn enige metgezel mijn trouwe zwarte raaf.
Hij leidt mij naar het slagveld.
 
Daar is ook zij, mijn zuster.
Een kus op mijn voorhoofd,
een groet zonder worden
zegt meer
dan alle woorden tesaam.
 
We lopen en verzamelen
Wekken hen die slapen
Zij ontvangen ons met een blij gemoed.
 
Een man op de drempel,
voor dood achtergelaten door de levenden
smeekt ons, hem het recht van overtocht te geven.
 
Onze kus
Onze hand op zijn hart
betekend het einde aan lijden
een nieuw begin
 
De tocht begint
naar de hal van onze vaderen.
 
Ik groet het as
van wat eens mijn hart was
Begraven op het slagveld
van de gebroken harten.
 
Maankind
Februari 2009

Divine Love

Divine Love
 
Mijn" zei hij.
Wees naar haar hart
en schoot.
Zijn zon fel
tegenover haar maan.
"Nee" zei zij
De nacht viel.
Woordeloos eiste zij haar offer.
Hij taalde en draalde.
Legde zijn hart in haar schoot.
Een Godin
verdient aanbeden te worden
 
Maankind
September 2009